Toen de Heer Jezus op de aarde wandelde, werd Hij door allerlei mensen omringd: door Joden en heidenen, door goedgezinden en door kwaadgezinden. Maar ook door mensen wie het alleen te doen was om de wonderen te zien en de lichamelijke voordelen daarvan te kunnen genieten, maar slechts door weinigen die begerig waren naar de waarheid.
Wij geloven, dat het meest pijnlijke voor de Heer geweest zal zijn dat Zijn eigen volk Hem niet kende of Hem miskende.
Wel kwam meerdere malen bij het volk de gedachte op, dat de Heer mogelijk de beloofde Profeet kon zijn (Joh. 6:14), maar het had niet de moed om Hem openlijk als zodanig te erkennen.
De vrees en de angst voor de oversten der Joden deed hen telkens de naar boven gekomen hoge en heilige gedachten over de Heer ontzinken.
Soms was hun overtuiging dat de Heer de Messias was zó sterk, dat zij Hem Koning wilden maken, maar telkens voorkwam de Heer dit (Joh. 6:15).
Eigengerechtigheid is een vreselijke zonde.
De Joden beriepen zich op hun hoge afkomst, Abrahams kinderen te zijn.
Zij waren dan ook rijk, want aan hen was de aanneming tot kinderen Gods; aan hen was het verbond én de beloften, dat uit hen, voor zoveel het vlees aangaat, de Christus geboren zou worden; aan hen was de wetgeving en de dienst Gods (Rom. 9:4,5).
De Joden hadden dus wel een grote erfenis ontvangen.
Toen de Joden zich er op beroemden dat zij Abrahams kinderen waren, wees de Heer hen erop dat een ieder de werken zijns vaders doet, en dat hún werken bewezen, dat zij niet uit Abraham maar uit de duivel, de vader der leugens, waren (Joh. 8:39-44).
Israël was het door God uitverkoren en geliefde volk, maar dit volk was, helaas, van Hem vervreemd geworden.
In de tijd van de profeten was het zover gekomen dat God voor Israël slechts een vreemdeling was, of zoals een reiziger die slechts inkeerde om te overnachten (Jer. 14:8).
Jesaja begint in hoofdstuk 1 vers 3 zijn profetieën met te zeggen: “Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.”
En, Jeremia sprak in hoofdstuk 8 vers 7: “Zelfs een ooievaar aan den hemel weet zijn gezette tijden, en een tortelduif, en kraan, en zwaluw, nemen den tijd hunner aankomst waar; maar Mijn volk weet het recht des Heeren niet.”
Door deze woorden worden de onredelijke dieren geprezen bóven het zozeer bevoorrechte volk van Israël, dat zijn God vergat.
Vervreemding is veel erger dan vijandschap; vervreemding is slapende vijandschap, een stil, ongemerkt afleven van elkander.
Uit vijandschap kan nog wel iets goeds worden: de dreigende en moord blazende Saulus werd een apostel die zeer veel gezegende arbeid heeft verricht.
Maar, vervreemding is kille onverschilligheid.
Het is een verschrikkelijk schouwspel wanneer wij bij voorbeeld twee mensen van elkaar zien vervreemden,
Wanneer wij dit in een huwelijk zien gebeuren, dan is er bijna niets meer aan te doen.
Bij oplaaiende vijandschap kan men nog wel eens olie op de golven werpen, maar bij verkilling en verkoeling van de liefde, staat de tot hulp gereed zijnde hand machteloos.
Vervreemding van twee mensen, die voorheen intiem met elkaar omgingen, is vreselijk.
Er gebeurt eigenlijk niets bijzonders, want alles gaat zonder gerucht. Maar de zielen komen steeds verder van elkaar af te staan, zó ver zelfs, dat zij in vijandschap elkaar niet meer aanraken.
Op deze manier sterven twee zielen aan elkaar.
Vervreemding van God is een leven búiten God; het had de schijn, dat de Joden God lief hadden en Hem dienden, maar de Heer sprak: “Waarom kent gij Mijn spraak niet?” (Joh. 8:43).
Zeer treffend werd het woord van Jesaja vervuld: “Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken. Want het hart dezes volks is dik geworden, en zij hebben met de oren zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zich bekeren, en Ik hen geneze.” (Matt. 13:14,15).
In deze profetie wordt zeer duidelijk de vervreemding van Gods volk beluisterd.
Het gebeurde eens, dat er sommige Grieken waren die aan Filippus lieten merken dat zij Jezus wel wilden zien. Filippus zei dit tegen Andréas, en beiden vertelden dit aan de Heer. Dit gaf de Heer de aanleiding om over Zijn dood te spreken, en hóe men Hem verhoogd zou zien aan het kruishout tot heil van alle volken (Joh. 3:14-16; 12:20-23).
Toen overviel de Heer de smart van het lijden en de zegen daarvan, wat Hem deed uitroepen: “Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen. Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit den hemel, zeggende: En Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem wederom verheerlijken.” (Joh. 12:27,28).
Hoe vreemd stond de schare, zelfs de discipelen, tegenover dit lijden. Zij hadden dit meerdere malen bewezen wanneer de Heer hierover met hen sprak.
Ook stonden zij vreemd tegenover de stem uit de hemel.
Sommigen hadden in die stem een donderslag beluisterd en weer anderen een engelenstem.
Wel een groot verschil, maar niemand van hen verstond hierin de stem van de hemelse Vader Die tegen zijn ontroerde Zoon sprak over Diens verheerlijking.
Op Golgotha zou deze stem duidelijke taal worden voor allen die gelovig opwaarts keken.
Vreemd is het verlossingswerk voor hen, die zichzelf zalig verklaren om de verkregen genade in de sacramenten en de verbondsbelofte.
Niet vreemd is het voor hen, die deze genadegaven hebben verkregen en die de werken, als vruchten daaraan verbonden, ook doen.
Vervreemd zijn van het verlossingswerk van Christus, wil zeggen een leven zónder God te bezitten; een leven búiten Christus, buiten de liefde tot God en de naaste.
Zonder liefde, sprak apostel Paulus, ben ik niets (1 Kor. 13).
Wanneer Christus buiten ons leven staat, is er geen blijdschap in ons leven.
Rede, kennis en wetenschap mogen rijkdommen zijn voor de bezitter ervan, maar zij geven geen blijdschap en vreugde.
Vreugde die blijft tot óver dood en graf, is de wáre vreugde.
De oudste zoon uit de mooie gelijkenis van Lukas 15, wist niet wat blijdschap was.
Toen hij het gezang en gerei hoorde (de blijdschap over de terugkeer van zijn broeder), toen riep hij één van de dienstknechten en vroeg, alsof daar iets vreselijks gebeurde, wat dat alles mocht zijn.
Deze onberispelijke jongeman, vol van plichtsbetrachting, stond vér van de vreugde die er kan zijn in het berouwvolle zondaars hart, en de blijdschap die er in het Vaderhart is over een zondaar die zich bekeert.
Er zijn veel christenen die toch geen vreugde kennen, die vreemd zijn aan de hemelse blijdschap die in Christus is.
Zielen, in wie Christus geen woning heeft gemaakt door de Heilige Geest, kennen Hem niet in Zijn grote liefde; kennen Hem niet als Zielsbruidegom, en dragen ook nooit het gewaad des lofs.
En zij, die weleer ingeborenen des huizes waren, zij, die de genadegaven en verbondsbeloften en zegelen ontvangen hebben maar geen vruchten hebben gedragen, zijn vervreemd geworden en hun liefde is slechts nog schijn, terwijl het innerlijk verkild en verkoeld is en het gewaad des lofs is verwisseld voor het rouwkleed van de God verlatenheid.
Het gevolg is: klagen, murmureren en niets is er meer goed in de gemeente waarbij zij behoren. En indien zij die gemeente nog niet hebben verlaten, dan willen zij, als het er op aankomt, tóch nog Gods kind zijn en maken er dan aanspraak op, soms uit eigengerechtigheid en soms uit vrees voor het gericht.
Wij moeten eerlijk met onszelf omgaan.
Die niet uit God is, is uit de duivel (1 Joh. 3).
Wij doen de werken onzes vaders, zegt de Heer (Joh. 8:41), en dit komt ook overeen met Zijn Woord: “Aan de vrucht wordt de boom gekend.” (Matth. 7:16).
Onze werken tonen wie zij zijn, óf uit God, óf uit de boze.
Tot hen, die weleer, in de Naam des Heren, krachten hebben gedaan, en zelfs in Zijn Naam hebben geprofeteerd en duivelen hebben uitgeworpen, maar die vervreemd zijn geworden van Hem, die hen geheiligd had, zal het vreselijke woord zijn: “Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!” (Matth. 7:23).
Wij besluiten deze ernstige vermaning met het woord van de apostel Paulus in Éfeze 5 vers 8: “Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere; wandelt als kinderen des lichts”, opdat wij, in het licht van God blijvende, maar steeds in Zijn gemeenschap mogen blijven leven. Amen.