Ananias en Saffira

De dienaren Gods, die de verschillende Bijbelboeken geschreven hebben, geven het bewijs dat zij de waarheid lief hadden door ook datgene mede te delen, wat minder schoon is.

Zulk een minder schone gebeurtenis is, wat Lukas ons verhaalt aangaande het bedrog van een echtpaar, dat tot de gemeente te Jeruzalem behoorde (Hand. 5:1-11).

Hoe jammer toch, dat er altoos aan dat werk, dat ons boven alles dierbaar moet zijn omdat het het werk van de Verlosser is, smetten moeten kleven.

Wat zegt die Naam ontzaglijk veel! Wie de betekenis van die Naam ook maar enigszins begrijpt, en wie roemen kan dat hij uit genade een aandeel verkregen heeft aan het heilsfeit, dat met die Naam in verband staat, zal zich er toch voor wachten om dat werk door moedwillige zonden te bezoedelen.

Het is al erg genoeg dat wij, die de eerstelingen des geestes bezitten, nog onwillekeurig in zoveel zaken struikelen en de Heiland onzer zielen leed aandoen en beledigen door onze zonden en zwakheden.

Maar, om dat werk opzettelijk te ontheiligen, is toch wel heel erg.

We kunnen uit de geschiedenis van het huichelachtige echtpaar leren, dat onze aartsvijand, de duivel, grote macht heeft en dat het voor hem een boosaardig genot is, om juist diegenen te verstrikken die de Heiligen Geest bezitten en, in zeer bijzondere zin, Christus’ eigendom zijn geworden.

Ananias en Saffira behoorden tot een schaar van gelovigen, die een schitterend voorbeeld gaven van een godzalige levenswandel.

Lukas deelt ons een paar maal mede, hoe innig de verhouding was daar te Jeruzalem: “En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten ze te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten; En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk.” (Hand. 2:46,47).

In de voorgaande verzen lezen we, dat ze zelfs alle goederen gemeen hadden en zij verkochten hun goederen en have en verdeelden ze aan allen, naardat elk van node had (Hand. 2:44,45).

In het vierde hoofdstuk lezen we ongeveer hetzelfde: “En de menigte van degene, die geloofden, was één hart en één ziel.” (Hand. 4:32).

Handelingen 4 vers 36 noemt ons Joses, de latere apostel Barnábas, die waarschijnlijk de eerste geweest is die zijn bezittingen ten bate van de gemeente te gelde maakte.

Deze Joses, de naam Barnábas (een zoon der vertroosting betekent die naam) van de apostelen, was met recht een vertroosting, daar zijn daad zo vele armen tot troost was.

Wat bewoog de leden van de gemeente, die zekere welstand bezaten, om tot de verkoop van hun goederen en tot het stichten van een gemeenschap waarin iedereen gelijk is en samen deel had in de bezittingen? De reden ligt voor de hand.

Men verwachtte, dat de Heer Jezus weldra zou wederkomen en men wist ook, dat er vóór die dag een groot oordeel over Jeruzalem zou komen.

Dat had de Heer toch met eigen mond gezegd, hoe de stad en de tempel zouden verwoest worden (Matth. 24:2).

Welnu, wat kon dan bezit nog baten?

Dan was het beter, dat de bezittingen gelde werden gemaakt en men in een ware broederlijke verhouding zich kon voorbereiden op de grote dag des Heren!

Deze toestand was geen gevolg van een gebod van de Heer of van Zijn apostelen, want Petrus zei zeer duidelijk tot Ananias: “Zo het gebleven ware, bleef’ het niet uw, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht?” (Hand. 5:4).

Met andere woorden, niemand was verplicht om zijn bezittingen te verkopen en de opbrengst aan de voeten van de apostelen te leggen.

Het was een volkomen vrije daad, die voortkwam uit grote liefde en misverstand.

Misverstand ten aanzien van de dag van de Wederkomst.

Wanneer men nu te midden van een gemeente leefde, waar zulke schitterende voorbeelden gegeven werden van naastenliefde, waar zulk een eensgezindheid heerste en de Heer ze uitnemende dienaren gegeven had, waar de Heilige Geest zó krachtig werkte door tekenen en wonderen, daar zou men zo zeggen, was men toch wel beschermd tegen de boze aanslagen van de vorst der duisternis.

Ondanks deze gunstige omstandigheden gelukte het de boze toch, om twee mensen te verstrikken en ze ten val te brengen.

Wat kon apostel Petrus dan ook later met recht schrijven van de duivel, dat hij rondgaat als een briesende leeuw, zoekende wie hij zal kunnen verslinden! (1 Petr. 5:8).

Het bezit van de uitnemendste dienaren, het behoren tot een gemeente, die uitmunt in godzalige wandel, is dus nog geen voldoend wapen tegen de vijand!

Dat is alleen een persoonlijk geloof, dat in biddend opzien tot de Heer om hulp vraagt om de goede strijd te strijden: “Welzalig hij, die al zijn kracht, En hulp alleen van U verwacht, Die kiest de welgebaande wegen.” (Psalmen en Gezangenboek, Psalm 84:3).

Ananias en zijn vrouw waren niet gierig. Wanneer zij dat geweest waren, dan hadden zij natuurlijk hun bezittingen niet verkocht en hadden zij zich zeer zeker verdedigd met wat Petrus als een feit mededeelt: “niemand is gedwongen om zijn goederen te verkopen of de opbrengst er van aan de gemeente te offeren!”

Zulk een voorschrift is voor gierigaards toch een te schone zaak, dan dat zij zich daar niet mede zouden gedekt hebben!

Neen, gierig waren zij niet. Maar ze waren oneerlijk en wilden schijnen, wat ze niet waren!

Ze wilden dezelfde liefde voorwenden en dezelfde geloofsovertuiging zeggen te bezitten als de zoon der vertroosting en zovele andere broeders en zusters van de gemeente.

Ze waren huichelachtig.

We kennen allen het verloop van deze treurige gebeurtenis.

Zowel de man als de vrouw werden het slachtoffer van de zonde, tegen God gelogen te hebben! (Hand. 5:5,10).

We willen alleen opmerken dat Petrus bij Ananias niet de dood veroorzaakte.

Petrus stelde alleen het feit vast, dat Ananias huichelde en Gode loog: “En Ananias, deze woorden horende, viel neder en gaf den geest.” (Hand. 5:5).

Tot hiertoe is er niets wonderlijks in deze geschiedenis, dan het ingrijpen Gods en zelfs dat kan nog heel “gewoon” gewerkt hebben.

Ananias had zijn hele have verkocht en gaf slechts een deel van de opbrengst aan de apostelen. Dezen waren visserlieden en misschien dacht de huichelaar: “Deze mensen kunnen de opbrengst van een stuk land toch niet schatten!”

Maar ach, er waren reeds zoveel leden van de gemeente die hun land verkocht hadden, dat men gerust wel enigszins schatten kon, wat het land van Ananias kon opbrengen.

En al wisten dan de apostelen deze zaak niet zo recht, dan waren er toch onder de broeders wel deskundigen die het aan de apostelen konden zeggen, dat deze Ananias oneerlijk had gehandeld.

Zelfs zijn plotselinge dood hoeft nog geen rechtstreeks wonder te zijn, want om zó beschaamd gemaakt te worden voor het oog van de gehele gemeente, kon wellicht een hartverlamming of iets dergelijks veroorzaakt hebben.

Hoe het zij, God liet de plotselinge dood toe over deze mens die Zijn gezant had voorgelogen.

En hier treft ons het meeste, dat Petrus zó bewust is van zijn roeping, dat hij durft zeggen: “Gij hebt de mensen niet gelogen, maar Gode.” (Hand. 5:4).

Ten opzichte van de vrouw van Ananias trad Petrus handelend op.

Hij gaf Saffira de gelegenheid om tot inkeer te komen, want zijn vraag: “Zeg mij, hebt gijlieden het land voor zoveel verkocht?” (Hand. 5:8) kon haar in de eerste plaats tot belijden der waarheid gebracht hebben, maar ook tot het vermoeden gebracht hebben: “het is zeker uitgelekt, dat we meer geld ontvangen hebben; laat ik dus voorzichtig zijn!”

Dan had zij de waarheid kunnen zeggen, en al was het dan niet uit liefde tot de waarheid, dan toch uit vrees voor ontdekking geweest.

Helaas, de vrouw was reeds te ver verstrikt in het net, dat de duivel om haar gespannen had! Zij antwoordde: “Ja, voor zoveel!” (Hand. 5:8).

Of ze dit antwoord onbeschaamd gaf of sidderend of met een schaamteblos op de kaken, dat staat niet vermeld. Dat zijn bijzaken. De hoofdzaak is: Zij loog!

En hier was het op het woord van Petrus, dat deze leugenaarster dood neerviel en uitgedragen werd naar de plaats, waar haar man begraven was, enige ogenblikken van te voren!

“En daar kwam grote vreze over de gehele Gemeente, en over allen, die dit hoorden.” (Hand. 5:11).

“En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen; maar het volk hield ze in grote achting.” (Hand. 5:13).

“En daar werden meer en meer toegedaan, die den Heere geloofden, menigten beide van mannen en van vrouwen, enz.” (Hand. 5:14).

Is hier geen tegenspraak? Niemand durfde zich bij hen te voegen… en daar werden er meer en meer toegedaan, die geloofden.

Hóe zit dit?

“De anderen” uit Handelingen 5 vers 11 zijn de vijandige elementen, de verklaarde tegenstanders, die door het Godsoordeel aan de beide huichelaars met bijgelovige vrees vervuld werden en daardoor elke aanraking met de gemeenteleden vermeden.

“Maar het volk hield ze in grote achting.” (Hand. 5:13). Dat waren de Joden, die niet veroordeelden en zonder terstond tot de Gemeente toe te treden, toch geen vijanden er van waren en eigenlijk een weinig besluiteloos er tegenover stonden.

Dezen herhaalden de vraag, die de grote menigte op de Pinksterdag gesteld had: “Wat wil toch dit zijn?” (Hand. 2:12). Van dit “volk” werden er meer en meer toegedaan, die in de Heere geloofden, menigten beide van mannen en vrouwen.”

Hoe krachtig de Heer daarna nog werkte lezen we in Handelingen 5 vers 15 en 16.

Er ontstond zelfs een ongezonde verering voor de persoon van de apostel Petrus!

Voor ons bevat deze geschiedenis ernstige lessen.

Ten eerste wezen we reeds op de vijand onzer zielen, die ook nu niet zal nalaten om te trachten ons te verstrikken, vooral nu de tijd van het einde en dus van zijn oordeel nadert (Openb.12:12).

Ten andere zien we, welk een zegen er voor anderen in is gelegen wanneer de Gemeente des Heren heilig en onberispelijk wandelt.

Er is geen beter getuigenis voor de uitbreiding van het geloof naar de Schrift, dan dat de leden van de Gemeente de geboden des Heren in praktijk brengen!

Ook hier geldt het spreekwoord: “Leringen wekken, maar voorbeelden trekken.”

Ten derde zal een heilig levende Gemeente de beste waarborg zijn, dat er geen onbekeerde zondaren toe zullen treden, waarmee men later de grootste ellende kan beleven en die de Naam der Gemeente en wat erger is, de naam van haar Heer tot schande strekken.

Want gelijk in Jeruzalem, zien ook nu andersdenkenden met scherpe ogen toe op alles, wat er in het midden van de Gemeente geschiedt.

Ook nu nog ervaren we wel eens, zelfs in een wereldstad als Amsterdam, dat buitenstaanders goede, maar helaas ook wel eens kwade zaken weten, die in de Gemeente Gods voorkomen.

Hoe heerlijk is het, wanneer wij horen, dat anderen het goede in ons waarderen, want dat is tot eer van Christus.

Maar hoe pijnlijk is het, wanneer naar buiten bekend wordt wat er zondigs geschiedt, want het randt de eer des Heren aan!

Er zullen na die tijd nog wel eens meer lieden geweest zijn, die tegen de Heilige Geest gelogen hebben en die toch niet met zulk een plotselinge dood gestraft werden als het echtpaar in Jeruzalem.

Maar God heeft getoond, door dit ene voorbeeld, hoe Hij deze zonde beschouwt en dat staat tot onze lering vermeld.

Er zijn ook nu nog wel leden der Gemeente (gelukkig zijn het hoge uitzonderingen!) die, bij onderzoek van verkeerde zaken de dienstknechten voorliegen.

Zulke lieden zijn ook verstrikt in de netten van de satan, en al treft hen niet terstond een oordeel Gods, dat deze zonde ongestraft zal blijven zouden we niet gaarne beweren!

Zo zij geen boete doen, wacht hen de tweede dood (Openb.21:8).

Huichelaars bedriegen met daden, leugenaars doen het met woorden, maar het zijn zeer verwante zielen. Ja, er is eigenlijk geen onderscheid tussen en dit hebben zij met elkander gemeen: ze kunnen voor de God der waarheid niet bestaan, ook al vallen nu de huichelaars en de leugenaars niet terstond dood neer wanneer zij niet de mensen maar Gode liegen.

Liegen met daden en woorden komt zeer veel voor.

De zonde van Ananias en Saffira herhaalt zich op allerlei wijzen!

Wie tot het Heilig Avondmaal toetreedt met haat, dus doodslag, in zijn hart,

Wie doet, alsof hij de Heer zijn geloofsoffers brengt en hierin de Heer besteelt,

Wie doet, alsof hij een voorstander van het werk Gods is, maar het alleen gebruikt tot het najagen van een heimelijk doel,

Wie zalvend spreekt, maar wiens woorden toch met dodelijk venijn zijn gedrenkt om anderen te ondermijnen,

Wie, ……enz.

Die allen liegen niet de mensen, maar de Heilige Geest: “die liegen Gode.”

Hun oordeel toonden wij reeds aan vanuit de Heilige Schrift.

Wat is het dus een gewichtige zaak dat allen, die opvoedingswerk moeten verrichten, dienaren Gods, ouders, enz., in alle opzichten de waarheid huldigen in woorden en daden, opdat zij nooit zullen meewerken aan de tweede dood van de, aan hun leiding toevertrouwde, zielen. Amen.

Schrijf u in om berichten in uw emailbox te ontvangen

Door op 'Inschrijven' te klikken gaat u akkoord met de Privacyverklaring.