Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn (Mark 16:16)

Gebeurtenissen in het leven van mensen maken hun geschiedenis. 

Wanneer alles zonder schokken verloopt, valt er weinig nieuws te melden.

We lezen bijvoorbeeld meer in de geschiedenis van David dan van Sálomo, doordat David veel meer strijd meemaakte dan Sálomo.

Zo zou de kerkgeschiedenis veel beknopter en ook veel schoner zijn, indien er niet zoveel strijd gestreden was op dit heilige terrein. 

Maar, de vorst der duisternis heeft voortdurend getracht, om het licht van de kandelaar te weren. Daartoe heeft hij vele handlangers gevonden, zowel in de Kerk als daarbuiten. 

We lezen van veel strijd over de heilige dingen, reeds tijdens het leven van de eerste apostelen. 

Zo schrijft bijvoorbeeld Paulus aan Timótheüs over zes mededienaren, die in het geloof schipbreuk leden, of verkeerde leringen leerden en afgevallen waren en daardoor zeker vele zielen beroerden en twijfelmoedig maakten (1 Tim.1:19,20; 2 Tim.1:15; 2:16-18; 4:10). 

Zo verhandelt de kerkgeschiedenis de telkens wederkerende strijd door hen, die nieuwe opvattingen hadden van hetgeen men tot dusver geleerd had. 

Juist door het afwijken van des Heren geboden en ordeningen, week de Heilige Geest meer en meer uit de Kerk. 

Het ontbrak haar aan, door de Heilige Geest geroepen, dienaren, wie het er om te doen was om de eerste beginselen vast te houden en te bouwen op het fundament door Christus gelegd in apostelen en profeten (Éf. 2:20).

Eenmaal van de rechte weg afgeweken, kwam men op dwaalsporen die steeds verder van de eenvoudige waarheid afvoerden.

De heilige zaken, zoals de sacramenten, waren steeds een begerig object om over te twisten. 

De strijders hierover hadden de schijn, alsof het hun te doen was om deze heilige dingen zo zuiver mogelijk te houden. Vergeten we echter niet, dat, als de satan vroom wordt, er maar weinigen zijn die aan zijn greep ontkomen. 

Er is in den loop van de geschiedenis veel strijd ontstaan, ook over de Heilige Waterdoop.

We zijn niet voornemens om veel te schrijven over de strijd die over dit onderwerp gestreden is. 

Het ging hoofdzakelijk over de vraag of ook jonge kinderen gedoopt mochten worden en hóe men dopen zou, door besprenging of door onderdompeling. 

Waarschijnlijk heeft Tertullianus (godgeleerde en schrijver), die omstreeks het jaar 190 tot het christendom bekeerd werd, het eerst de strijd over de kinderdoop opgeworpen. 

Vóór die tijd werd de kinderdoop toegepast. 

Deze man was van mening dat de doop de zonde wegneemt en de gedoopte een leven vrij van zonden moest leiden, dus moest hij eerst begrip van zonden hebben. 

De twist, welke hierover is ontstaan, leidde ertoe dat de aanhangers van de kinderdoop het getuigenstelsel invoerden. Dit wil zeggen: dat de getuigen bij de doop de verantwoordelijkheid op zich namen van de doopbelofte. 

Later dienden deze om te verzekeren dat iemand waarlijk gedoopt was. 

Dit ontstond weer vanwege de vervolging. 

Het kwam namelijk voor, dat sommigen hun geloof verloochenden en om huns levenswil beweerden, dat zij nooit christenen geweest waren. 

Hoe meer het verval de Kerk binnentrad, hoe meer verschil van opvatting over de heilige dingen zich openbaarde. 

Wanneer men eenmaal van de ware hoogte is afgegleden, kan strijd, wanneer hij heilig is, leiden tot betere inzichten, om dan eindelijk weer te komen op de plaats vanwaar men afgeweken was. 

Helaas, dit is niet het geval bij alle strijders geweest. 

Er zijn altijd mensen die gaarne beter weten en wie het niet te doen is om eerlijke strijd. De eerlijke strijder was het te doen om de betekenis van de doop. 

Zo kwam men ertoe om vast te stellen: de materie van de doop is het water; de vorm van het sacrament is gelegen in de woorden: “Ik doop u in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.” (Matt. 28:19). 

Alle zonden, zowel erfelijke als dadelijke zonden, die vóór de doop werden bedreven, de tijdelijke en de eeuwige straffen, worden kwijtgescholden. 

De erfsmet wordt geheel teniet gedaan, evenwel blijft de begeerte, welke echter niet zonde is maar wel de prikkel der zonde kan worden. 

Hoewel Luther, Zwingli en Calvijn ook weer verschilden in hun opvatting over de doop, komen hun begrippen vrijwel met het bovenstaande overeen. 

Dit was de grond waarop men weer kwam te staan betreffende de kinderdoop. 

De doop is de deur tot de zaligheid, de wedergeboorte tot kinderen Gods. 

De kinderen, in erfzonde geboren, worden door de doop van die zonde gewassen. 

De erfsmet blijft, maar niet als schuld, maar als daad, die langzamerhand zwakker moet worden naarmate het kind opwast en eindelijk ophoudt in het toekomende leven. 

Zo is ongeveer de ontwikkeling van de geschiedenis van de doop, in en na veel strijd daarover. 

Wat betreft de kinderdoop, de Heilige Schrift leert ons dat de kinderen gedoopt werden. 

Straks daarover meer. 

Wij houden er rekening mee dat we schrijven ook voor niet Apostolische christenen die echter wel geloven in de noodzakelijkheid van de doop tot wedergeboorte. 

De doop, welke de Heer Jezus aan Zijn Kerk gaf, behoort niet tot de typen en schaduwen. 

Die zijn met de oude bedeling voorbijgegaan: de christelijke doop is geen profetie van een toekomstige zegen, maar als Nieuwtestamentische inzetting draagt hij de Goddelijke zegen in zich, wel verborgen, doch waarachtig en werkelijk. 

De doop werd ingesteld nadat de Heer al het werk op aarde volbracht had. 

De apostelen wachtten met de uitvoering van hun opdracht totdat zij de Heilige Geest zouden ontvangen hebben. Zonder die “kracht uit de hoogte” (Luk. 24:49) konden zij geen “uitdelers zijn van de verborgenheden Gods.” 

Vóór de uitstorting van de Heilige Geest kon er van wedergeboorte geen sprake zijn.

Wie niet geloofde door de doop met Christus begraven en Gode levend gemaakt te zijn in Christus Jezus (Rom. 6:1-11), die kon ook niet groeien en opwassen tot volmaaktheid. 

Deze gedachten kunnen hen sterken die eenzijdig vasthouden aan Markus 16 vers 16: “eerst geloven, daarná gedoopt worden”, maar aan dezulken zouden wij willen vragen: “is de wedergeboorte vrucht der prediking?” 

Zo ja, dan zijn de verstandelijke vermogens noodzakelijk tot wedergeboorte, dan kan dus een kind, voordat het tot de jaren des onderscheids gekomen is, niet wedergeboren worden. 

Dan is het Koninkrijk der hemelen dus niet voor de kinderen, want als onmisbare voorwaarde tot ingang in het Koninkrijk stelt de Heer Zelf de wedergeboorte uit water en Geest (Joh. 3:5).

Wat blijft er dan van dit “water”, dat de Heer met de Geest samenvoegt? 

Is dat bloot een zinnebeeldige uitdrukking? 

Door de prediking kunnen volwassenen tot de overtuiging komen van de noodzakelijkheid van de wedergeboorte, maar de wedergeboorte zelf brengt zij ons niet aan.

In de dagen van de wording der Kerk werd uit de aard der zaak de doop meestentijds toegediend aan volwassenen en werd voorafgaande belijdenis van hun geloof gevorderd. 

Jonge kinderen konden natuurlijk zulk een belijdenis niet afleggen. 

Dit heeft later twijfel gebracht of het wel geoorloofd is om jonge kinderen te dopen.

We lezen echter dat de doop aan een geheel huisgezin werd toegediend (Hand. 16:15,33; 1 Kor. 1:16), waaronder dus ook de kinderen begrepen waren.

De wedergeboorte en doop in verband met de eerste en Laatste Adam (eens geschreven in een boekje door een dienaar van de oude ordening) werpt een zeer schoon licht op de diepere betekenis van het huisgezin. 

We lezen daarin onder meer: het huisgezin is de oude instelling Gods, de oorsprong van alle latere: “God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze. En God zegende hen, en God zei tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt.” (Gen. 1:27,28).

Hemelse heilgeheimen vinden we in het huisgezin afgeschaduwd.

De betrekking van man en vrouw geeft ons op aarde in een beeld te aanschouwen de innige en heilige betrekking tussen Christus en de gemeente. 

En uit de onderlinge verhouding van vader en kind kunnen we iets leren verstaan aangaande die eeuwige band van eenheid en liefde in God, Vader en Zoon, waarin wij door genade opgenomen worden (Hebr. 2:11; 1 Joh. 3:1; Joh. 17:23). 

De orde van het huisgezin is dan ook een heilige orde. 

Het daartoe betrekkelijke vijfde gebod, het enige waaraan uitdrukkelijk een belofte is verbonden, is ook het enige dat in de Nieuwtestamentische bedeling rechtstreeks wordt herhaald (Éf. 6:2).

Want de Zoon verbreekt het werk niet en verstoort de ordeningen des Vaders niet, maar loutert ze van ingedrongen zondesmet en heiligt ze. 

Vandaar dat we niet alleen in het Oude, maar evenzeer in het Nieuwe Testament de verbonden Gods zien aangegaan met de vader en diens kroost, met het hoofd en het gehele gezin. 

Dus het verbond met Noach en met diens zaad na hem (Gen. 9:8,9); met Abraham en diens zaad na hem in hunne geslachten (Gen. 17:7,9,10). 

Het verbond met Israël omvatte het gehele volk, omdat God hun vaderen liefhad en hun zaad verkoren had (Deut. 4:37). 

Uitdrukkelijk worden de kinderen daarin opgenomen (Deut. 29:11,12,14,15), gelijk dan ook de besnijdenis “tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs” (Rom. 4:11) aan Abraham gegeven, mede bediend werd aan diens kinderen, ofschoon deze nog geen persoonlijk geloof hadden kunnen openbaren maar met het gehele gezin werden aangenomen als gedekt door het schild des geloofs van hun vader. 

Even overvloedig is de belofte: “De Heer, uw God, zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om den Heere, uw God, lief te hebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel, opdat gij levet.” (Deut. 30:6). 

Petrus herinnert dan ook met aanhaling van Joëls profetie, dat de belofte van de Heilige Geest aan de Israëlieten toekwam en hun kinderen (Hand. 2:39). 

Aan de zeventig geeft de Heer de last om bij de intrede van elk huis de ruime, alles omvattende heilgroet te brengen: “Vrede zij dezen huize!” (Luk. 10:5). 

Op de vraag van de heidense stokbewaarder te Filippi, “wat moet ik doen, opdat ik zalig worde”, antwoordt Paulus: “Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.” (Hand. 16:30,31). 

Hier vinden dus, evenals bij Abraham, aan het geloof van de huisvader de overvloedige belofte verbonden aangaande diens huis.

We hebben dit bovenstaande gedeelte letterlijk overgenomen uit het eerder genoemde boekje. Het laat aan duidelijkheid niets te wensen over. 

In een noot lezen we nog, op diezelfde bladzijde: “Waarom werden dochteren niet besneden en worden ze wel gedoopt?” 

Na de volbrachte verzoening zijn Eva’s dochteren niet meer onder de smaad, Adam, het hoofd der schepselen, te hebben verleid tot zonde. 

In Christus, het zaad der vrouw, is man noch vrouw. 

Diepzinnig is de Joodse overlevering, dat de Sabbatlamp door de huismoeder moet worden ontstoken, omdat een vrouw het licht heeft uitgeblust en derhalve een vrouw het weer moet doen ontbranden. 

In vleselijke zwakheid gaf Eva zich aan de verleider; in geloofskracht gaf Maria zich aan God over als de dienstmaagd des Heren. 

In het christendom is de vrouw in ere hersteld.

Door het geloof, zelfs van één van de ouders, zijn de kinderen heilig (1 Kor. 7:14). 

De Heer Jezus sprak: “Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet: want derzulken is het Koninkrijk Gods.” Hij nam ze in Zijn armen (Mark.10:14,16). 

De grondtekst doelt op pasgeboren kindertjes. 

Diezelfde tederste liefde doet nog heden het hart van de Heiland zwellen, als Hij kinderen tot Hem ziet aandragen. 

Maar nu heeft Hij meer voor hen, Hij neemt ze aan. Niet om ze een ogenblik te omarmen, maar om ze voor eeuwig één plant met Hem te maken; om hun de vrucht van Zijn dood en de vrucht van Zijn opstanding mee te delen; om hun zonden af te wassen in de zichtbare besprenging met Zijn bloed en hen uit dat bad van de wedergeboorte en de vernieuwing des Heiligen Geestes te doen opstaan als een nieuw schepsel.

Gebukt onder de eisende gerechtigheid Gods, kwam het volk Israël op de Grote Verzoendag in de Tempel samen.

Ze waren des doods schuldig vanwege hun zonden; voor hen werd het lam gedood en geofferd. 

Het bloed van het lam werd gesprengd op het altaar, op het wetboek en op het volk, nadat de hogepriester dat bloed gedragen had in het heilige der heiligen en aldus God had bewogen om het volk te verzoenen met Hem. 

Dit alles zag op het Lam Gods Jezus Christus, want er was geen verzoening dan door voldoening. 

Verlost van zonden, áls een nieuw mens mocht de Israëliet opstaan (Hebr. 9:13-26). 

Dit zegt ons genoeg, dat de doop slechts door besprenging met water moet toegediend worden. 

In het Nieuwe Testament is geen bewijs voor onderdompeling te vinden. 

Het afdalen van Filippus met de Moorman is gemakkelijk te verklaren (Hand. 8:38,39).

In de meeste gevallen moest men, om helder water te scheppen, de rivier of beek in waden. 

Het is zeker geen bewijs, dat de Moorman met Filippus lichamelijk onderging in het water. Amen. 

Schrijf u in om berichten in uw emailbox te ontvangen

Door op 'Inschrijven' te klikken gaat u akkoord met de Privacyverklaring.