De laatste ure

De apostel Johannes schrijft in zijn eerste brief, dat de laatste ure was gekomen (1 Joh. 2:18).

Hij verwachtte dus, dat de Dag der Wederkomst onzes Heeren zeer aanstaande was.

In die mening stond hij niet alleen! Apostel Petrus schrijft in zijn eerste brief: “Het einde der dingen is nabij. Zijt dan nuchteren en waakt in de gebeden!” (1 Petr. 4:7).

Apostel Jakobus verwachtte ook het einde, want hij vermaande de zijnen aldus: “Weest gij ook lankmoedig, versterkt uwe harten, want de toekomst des Heeren genaakt!” (Jak. 5:8).

Hebben deze dienstknechten zich nu vergist? Want het einde is na ruim 2000 jaren nog niet daar. Tijdrekenkundig hebben zij den Dag des Heeren te vroeg verwacht en zijn dus teleurgesteld geweest in hun vurig verlangen.

Want de ene dienstknecht na den andere stierf weg en nog was de Heer niet gekomen.

Maar één der Apostelen zou dien dag zeker beleven! Dat was Johannes, want wat had de Here Jezus geantwoord op de vraag van Petrus, wat het lot zoude zijn van den meest geliefde dienaar des Heere? “Indien Ik wil, dat hij blijve totdat Ik kom, wat gaat het u aan?” (Joh. 21:22).

Dit gezegde des Heeren was verkeerd opgevat, alsof Hij gezegd had: “Johannes zal blijven leven, totdat Ik wederkom.”

Terwijl de Heer de nadruk gelegd had op Zijn wil, hadden de broederen er een andere zin in gelegd: “Johannes blijft leven totdat de Dag des Heeren daar zal zijn!”

Om deze zaak recht te zetten, is het nodig geweest aan het slothoofdstuk van het Johannes Evangelie, hoofdstuk 20, na den dood van Johannes een vervolg te voegen.

Wie Johannes 20 vers 30 en 31 leest, ziet duidelijk, dat daar het Evangelie van Johannes eindigt.

Maar toen Johannes stierf, waren velen teleurgesteld. Hij bereikte een zeer hoge leeftijd (bijna 100 jaren) en dus was de mening telkens sterker geworden: “Nu zal de Heer weldra komen, want Johannes wordt ouder en zwakker; het zal dus niet zo lang meer duren totdat alles zal volbracht zijn.”

Zijn dood is dus een teleurstelling geweest voor allen, die het woord des Heeren kenden, maar niet goed opgevat hadden.

Nu ligt het voor de hand, dat na zijn dood andere dienstknechten deze zaak moesten ophelderen en zij verklaren, dat hun geloof in het Johannes Evangelie ongeschokt is (Joh. 21:24-25).

Uit deze geschiedenis blijkt zonneklaar, evenals uit de hierboven aangehaalde Schriftwoorden van de apostelen Jakobus, Petrus en Johannes, hoe vurig de Kerk des Heeren in den aanvang naar de Wederkomst verlangde. We zouden nog veel meer voorbeelden kunnen aanhalen. En dat verlangen was zeer goed te verstaan!

De belijders van Christus hadden het zeer hard, wat uit tal van brieven blijkt. Hun omgeving haatte en bespotte hen en reeds was het in de dagen van Petrus en Johannes tot bloedige vervolgingen gekomen. Is het wonder, dat men reikhalzend uitzag naar den Dag der verlossing?

Tijdrekenkundig was men voorbarig en de apostel Paulus moest zelfs in de tweede brief aan de Thessalonicenzen een ernstig vermaan laten horen.

Hij schrijft (2 Thess. 2:2-3) dat niemand de Gemeente zal verleiden; dat zij zich niet zal laten bewegen en met schrik vervullen, alsof de Dag van Christus reeds onmiddellijk aanstaande ware. Daar zouden tekenen aan vooraf gaan en die tekenen waren nog in volheid niet te aanschouwen. In VOLHEID, want de aanvang was reeds daar: “Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht.” (2 Thess. 2:7).

Zo zag de apostel Johannes ook reeds den aanvang der tekenen. Want wat schrijft hij? “Kinderkens, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is. Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn.” (1 Joh. 2:18-19).

De Here Jezus had in Zijn toespraken over het eind der dagen Zelf gezegd, dat er valse christussen en profeten zouden opstaan (Matth. 24:24).

Nu Johannes zag dat er zulke leugengeesten optraden, meende hij daarin een teken te zien, dat de grote antichrist weldra zou verschijnen en dus verwachtte hij het naderend einde.

Johannes berekende alzo de Dag der Wederkomst niet (dat had de Heer herhaaldelijk verboden), maar wel gehoorzaamde Hij zijn Heer, Die geboden had op de tekenen der tijden te letten. En deze gehoorzaamheid mocht dan aanleiding geweest zijn tot een te vroeg verwachten, zij was tevens (en dat is veel gewichtiger!) een krachtige aansporing tot waakzaamheid.

En had de Here Jezus niet herhaaldelijk op waakzaamheid aangedrongen ten aanzien van den Dag Zijner toekomst?

Dus lette Johannes met zijn ambtsbroeders nauwgezet op de tekenen der tijden en daardoor zou het vurig verbeide tijdstip der vervulling hen niet kunnen overvallen gelijk een dief in den nacht, maar zouden zij er alleen blijde door kunnen worden verrast.

Letten op de tekenen der tijden is niet altijd even getrouw door de gelovigen gedaan, ofschoon er altijd ernstige opmerkers geweest zijn, die telkens, wanneer extra zware tijden aanbraken, de ogen hunner tijdgenoten trachtten te openen voor den ernst der dagen.

Dikwijls ging dat gepaard met geestelijke verwarring, zodat er tonelen van angst en opgewondenheid ontstonden. Zo was het, toen het jaar 1000 zou aanbreken. Vreselijke schrik had de mensen bevangen: de dag des oordeels zou aanbreken. Troost was er niet, want de komst van den Bruidegom kende men niet; alleen de straffende Rechter stond voor de deur.

De tijd der Franse revolutie, die aanving in 1789, veroorzaakte bij velen eenzelfde ontroering en vooral de figuur van Napoleon bracht verwarring, daar men hem hield voor den antichrist uit de Openbaring, terwijl sommigen, die met hem dweepten, hem voor de Messias hielden!

De ernst der tijden had echter ook een goed gevolg: velen zochten hun troost in de Heilige Schrift, en daar God in Zijn genade ervoor gezorgd had, dat vele ernstige theologen als leidslieden konden optreden, bleef de Kerk bewaard tegen allerlei dweepzieke uitbundigheid.

Wij weten, hoe uit deze geestelijke opleving het Apostolische werk onzer dagen geboren is. De hoop op de komende Bruidegom werd levend in veler harten en duidelijk werd het, dat de Dag der dagen niet verre meer zijn kon, te meer daar God de voorzegde “spaden regen”, de uitgieting van den Heiligen Geest, voor de dag des oogstes had laten nederdalen.

Het vurig verlangen naar de Wederkomst gaf echter ook daar weer een misvatting, dat namelijk de omstreeks 1836 geroepen apostelen niet zouden sterven, maar dat zij de Gemeente aan den komende Bruidegom zouden mogen voorstellen. Deze verwachting is de oorzaak geworden van teleurstelling en zelfs van scheiding, zoals wij weten.

Toen de “Eerste Wereldoorlog” uitbrak (1914) ontstond er bij vele halfgelovigen een nieuwe schrik. De Openbaring van Johannes werd door velen nageslagen en slecht of in het geheel niet begrepen.

Toch hebben de tekenen der tijden velen uit hun sluimer of slaap doen ontwaken en verwachten zij, al is het dan ook als de dwaze maagden, de komende Bruidegom.

Ook in onze veelbewogen dagen grijpen velen naar het laatste Bijbelboek en vooral het getal 666 trekt veler aandacht en tallozen pluizen na, wie het “beest” kan zijn, enz.

Onder de naspeurders zijn gelovige lieden, maar er zijn er ook die in Gods Woord niet geloven en die nu, door een angstgevoel gedreven, sensatie zoeken, om daarin een zekere voldoening te vinden, zoals de laatste jaren het geestelijk voedsel der ongelovigen voor een groot deel uit sensatie bestaan heeft.

Wij, Apostolischen, die steeds grote belangstelling gekoesterd hebben voor de zaken van het slottijdperk der Kerkgeschiedenis, worden door allerlei dingen, die het aardrijk overkomen, niet zo ontsteld, ofschoon de buitengewoon snelle ontwikkeling der verhoudingen ons wel verwondert en er zullen zeker wel broeders en zusters zijn, die in het geloofsleven verflauwd waren, en die nu door den drang der omstandigheden weer meer ijver aan den dag leggen voor den dienst des Heeren.

Welnu, het is beter ten halve gekeerd, dan geheel verdwaald!

De ernst der tijden brengt ons allen weer het woord in herinnering, dat Johannes schreef: “Kinderkens, het is de laatste ure!”

Dat zal ons echter niet mogen verleiden tot berekeningen van den tijd der Wederkomst.

Elke uitspraak in die richting, al zou ze door een engel van den hemel gegeven worden, (om een woord van Paulus aan te halen, Galaten 1:8) verwerpen we, daar het uur van dit met groot verlangen tegemoet geziene ogenblik door den Vader Zichzelf voorbehouden is.

Maar wel zal de ernst der dagen ons aansporen om meer dan ooit te letten op wat de Heer Zijn Kerk geboden heeft; te letten op de tekenen der tijden.

Lezen we, wat Johannes schrijft over de komende antichrist en letten we op hetgeen Paulus zegt in 2 Thessalonicensen 2, dan hebben we, dus in de openbaring van den antichrist een middel om de naderende dag van Christus te kunnen verwachten.

Maar tevens zullen we het woord van de apostel Petrus in gedachten houden: “En het einde aller dingen is nabij; ZIJT DAN nuchteren en waakt in de gebeden.” (1 Petr. 4:7).

Niet elke aardbeving, overstroming, besmettelijke ziekte is een teken des tijds, want deze hebben de eeuwen door het mensdom geteisterd.

Wanneer echter zulke natuurrampen vele landen tegelijk treffen en samengaan met oorlogen en geruchten van oorlogen, dan zullen we waakzaam zijn, ofschoon volgens des Heren Jezus’ eigen woord het einde dan nog niet daar is: “Doch alle die dingen zijn maar een beginsel der smarten.” (Matth. 24:6-8).

De smarten zijn de weeën, die de Dag des Heeren voorafgaan en er toe medewerken, dat de nieuwe toestand voor het zuchtend schepsel zal geboren worden.

Ook zal volgens vers 24 van dat hoofdstuk (Mattheus 24), een kenmerk zijn; het optreden van vele valse christussen en profeten, die onder bedrieglijke vrede en geluk verkondigen voor het mensdom, dat door allerlei richtingen misleid en bedrogen is en telkens weer hulp verwacht van mensen.

Johannes wijst er in zijn brief op, hoe er uit de Kerk zijner dagen zulke lieden te voorschijn waren getreden, die wel niet tot de kerk hadden behoord in de ware zin, maar er toch genoeg gedachten hadden vergaderd, om de leer van Christus te vervalsen.

Petrus voorspelde in zijn tweede brief hetzelfde, hoe daar uit den schoot der Gemeente valse leraren zouden worden geboren, die velen zouden navolgen en waardoor de weg der waarheid zou worden gelasterd (2 Petr. 2:1-3).

En hebben wij het niet beleefd, na het overlijden van apostel F.W. Schwartz in 1895, hoe in 1897 uit ons midden lieden zijn weggegaan, die een groot aantal volgelingen achter zich gekregen hebben en die onze naam tot een smaadrede hebben gemaakt?

Zulke leraren zijn antichristen en zij bereiden de komst voor van de antichrist in den volstrekte zin van de Openbaring van Johannes en van 2 Thessalonicensen 2, waar de “mens der zonde” getekend wordt, die zich verheft boven al wat God genaamd of als God geëerd wordt.

Wanneer deze geest zich openbaart, dan weten we dat de Dag des Heeren zeer nabij is.

In een der gemeenten sprak een woord des Geestes over de laatste ure. Eerst werd de vraag gesteld, of de kinderen Gods wel genoeg beseffen wat de Heer in den Hof en aan het kruis gestreden en geleden had. Daarna kwam de mededeling, dat het de laatste ure was en vroeg de Geest: “Kunt gij dan nog een ure met Mij waken?”

We weten, hoe moeilijk de laatste ure voor den lijdende Heer geweest is en hoe Hij de Zijnen vroeg, met Hem te waken. Maar ach, de strijd des Heeren was hun te wonderlijk. Zij konden niet met den worstelende Heer waken, niet één uur (Matth. 26:40).

Zo zal de strijd in het eind der dagen ook zwaar zijn, ja hij is reeds zwaar.

Wie overwinnen wil, zal in die laatste ure waken moeten en het herhaalde gebod des Heeren opvolgen: “Waakt!”

De profetie eindigt met de belofte, dat de Almachtige weldra de graven zou openen en Zijn liefste, de Bruidsgemeente, zou opvoeren.

Zo zien we uit de Heilige Schrift en uit de profetie, door Woord en Geest, dat de tijd van het einde zich zal kenmerken door zware, geestelijke strijd.

Het is noodzakelijk dat we dat goed inzien, opdat we niet de gelederen des Heeren zullen verlaten, maar ons veeleer tijdig zullen pantseren met de volle wapenrusting des geloofs, zoals wij die vinden in Éfeze 6 vers13, enz.

Dat niemand zichzelf sterk genoeg waant en niemand denke te gering over de krachten van onze tegenstander, de overste dezer wereld, de grote leugenaar van den beginne, die in het laatst der dagen komen zal met wonderen van leugen, zoals de apostel Paulus zich uitdrukt, terwijl de Openbaring van Johannes zegt dat de valse profeet grote tekenen zal doen en vuur van den hemel zal doen afkomen voor de mensen en velen zal verleiden (Openb. 13:12-14).

Wie worden er verleid? “Die op de aarde wonen”.

De kinderen Gods wonen niet op de aarde. Hun wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten (Fil. 3:20).

In de vorige verzen schrijft de apostel, dat zij, die vijanden van het kruis van Christus zijn, aardse dingen bedenken, maar zij, die den Heer verwachten, verheffen zich met adelaarsvlucht, al hoger op naar reiner lucht met steeds verjongde krachten (Gezang 227:3).

“Die overwint, zal alles beërven!” (Open. 21:7) belooft de Schrift, overwinnen in de goede, de wettige strijd.

Maar daartoe is nodig een sterk geloof, dat op ootmoedig smeekgebed de Heer ons zeker geven zal en het is ons geloof, dat de wereld overwint, zegt Johannes! Maran-Atha! Amen.

Schrijf u in om berichten in uw emailbox te ontvangen

Door op 'Inschrijven' te klikken gaat u akkoord met de Privacyverklaring.