De stroom van levend water

En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome: en die wil, neme het water des levens om niet.” (Openb. 22:17).

Welk een schoon slotwoord op hetgeen daaraan voorafging. De apostel Johannes was profeet in de ontvouwing van al hetgeen geschieden zou in de loop der eeuwen, na de komst in het vlees van onze Here Jezus Christus, tot verzoening en verlossing.

Welk een troost en kracht voor Johannes in zijn ballingschap.

De krachten der wereld­machten schenen sterker te zijn dan zijn Heer en Heiland. Maar daarom was ook de Heilige Geest uitgestort, Die in alle waarheid leiden zou, om ook hem er mee te troosten, dat niet de wereldmachten, maar Jezus Christus de Overwinnaar is en zijn zou in Zijn toekomst.

In al de openbaringen die hij ontving, heeft hij gezien de strijdende en lijdende Kerk. Maar ook de overwinnende Kerk, door haar Heer en Bruidegom.

In de brieven aan de zeven gemeenten lezen wij menigmaal: “Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.” (Openb. 2 en 3).

Daar kwam het op aan, want Die Geest zou in alle waarheid leiden. Die Geest werd door Jezus Christus beloofd.

In Johannes 16 vers 14 lezen wij: “Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.” Het komt er voor ons op aan om daarnaar te luisteren.

Dat is de ware troost, ook in deze laatste tijden waarin de wereldmachten zo sterk schijnen en ook grote macht oefenen.

In deze tijden merken wij wel zeer duidelijk dat het een strijd der geesten is, die in de ver­schillende machten zich openbaren en de wereld willen beheersen en de mensen ach­ter haar banieren willen verzamelen.

Het komt er dus wel op aan om de geesten te onderscheiden, en de geesten te beproeven of zij uit God zijn (1 Joh. 4:1).

Want de duivel komt als een engel des lichts (2 Kor. 11:14).

Daarom zou de Heilige Geest het nemen uit Jezus Christus en ons verkondigen.

De Here Jezus Christus staat dus geheel in het middelpunt, het centrum waaruit geloofd en gehandeld moet worden.

In het Oude Testament waren het de Godsopen­baringen door profeten en dichters, die de wet maakten tot een licht in de duistere wereld, opdat de mens God zou leren kennen in Zijn heiligheid en liefde in barmhartig­heid tegenover de gevallen mens, onder­worpen aan zonde en dood.

De wet veroordeelde elk mens, maar de Geest Gods, door de profeten, roept het volk terug tot de wet als de weg tot de heilsbeloften.

De hoop op de Messias was de kracht, waardoor Israël staande kon blijven en uitziet naar de dag der verlos­sing.

En Gods Geest ging Israël voor in het uitzicht op die verlossing, en als Israël daarnaar luisterde, kon het door, en met Gods Geest één zijn in de hoop op Gods be­loften.

Op die wijze moest Israël de heide­nen tot jaloersheid verwekken, opdat ook zij verlost zouden worden uit de geest der vreze, en gebracht worden tot de ver­binding, door en met Gods Geest, in de hope en het grote Licht, dat doorbreken zou, in de stikdonkere nacht der zonde en haar gevolgen.

Helaas is Israël bij de wet blijven staan en heeft de Beloofde niet gezien noch erkend.

In de verantwoording door Stéfanus lezen wij, in Handelingen 7 vers 51: “Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij.”

Israël was ongeestelijk (1 Kor. 2:14).

Zij hadden nooit begrepen, dat de wet geestelijk is (Rom. 7:14).

Zij zoch­ten in de wetsvervulling hun eigen gerech­tigheid op te richten.

Zij hadden hun profe­ten gedood, die tot hen gezonden werden.

Het waren juist de profeten, die de wet tot geest maakten. De verstarring in de wet maakte Israël blind en doof om te horen de Goddelijke barmhartigheid, om te luiste­ren naar de liefdestem Gods in vermaning en vertroosting. De glans over Israël als volk was juist de profetenstem die ge­hoord werd. Gods Geest was het, die Israël wilde sterken en helpen en in nauw contact bracht met het Vaderhart, Die geen vreze wekte zoals de afgoden, maar Israël opwekte en hun voorging in de strijd om te blijven, die ze waren, en het doel te bereiken, waar­heen God hen leidde.

Nog heerlijker openbaart zich dit in het Nieuwe Testament, na de uitstorting van de Heilige Geest als het hoogtepunt van de verzoening en verlossing door Christus Jezus. Wij lezen in Romeinen 8 vers 26: “Maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuch­tingen.”

De Heilige Geest wil één zijn met de bruidsgemeente van Christus. Daartoe hebben haar leden het zegel aan hun voorhoofden ontvangen (Hand. 8:17). Daarom is Jezus Christus de sprekende door de Heilige Geest, in het midden van Zijn Gemeente in de zevenvoudige gaven. De bruid, die wel zwartachtig is, is toch liefelijk in Zijn ogen, naar het Hooglied (Hoogl. 1:5).

Johannes aanschouwt dat één zijn met de Heilige Geest, de Geest van onze Here Jezus Christus (Rom. 8:9).

De Heilige Geest gaat voor in het bid­den om de wederkomst van Jezus Christus: “De Geest en de bruid zeggen: Kom!” (Openb. 22:17).

Daar spreekt een heimwee uit naar die eeuwige harmonie. Dat zeggen komt dan im­mers voort uit de liefde tot haar Heer en Bruidegom. Als die liefde in het hart van de bruid woont, zal ze ook die liefde openbaren in het gemeenteleven.

Eén doel, en hoop. Dat is de liefde, die geen kwaad denkt, maar het goede, de vrede zoekt (1 Kor. 13).

Johannes beluistert die liefde uit de Heilige Geest en de bruid.

Daarom vervolgt hij: “Die het hoort, zegge: Kom!” (Openb. 22:17).

Dat is een algemene uitnodiging tot allen die dit lezen, opdat allen die harmonie zullen zoeken. Johannes roept op tot het ideaal: de bid­dende Heilige Geest en de bruid, om de weder­komst des Heren.

Wij zullen erkennen, dat die oproep niet overbodig is. Laten wij onszelf meten met dat ideaal, dan zullen wij niet een ander verwijten, maar tot ons zelf inkeren.

Het besluit van onze tekst is de liefe­lijke uitnodiging tot allen die dorst hebben, om het levende water te nemen om niet. Wij kunnen ons wel voorstellen, dat dit Oosterse beeld heel sterk sprak tot de hoorder. In de verzengende zon was water een levensvoorwaarde. Men zou van dorst sterven als er geen water was. Bij God is de fontein des levens (Ps. 36:10). Jezus Christus is de Levensbron!

De water­plenging op het Loofhuttenfeest is een type van de uitstorting van de Heilige Geest als de levensstroom van God, uitgaande tot redding en blijdschap, tot eeuwig leven (Joh. 7:37-39, Jes. 12:3).

De hoop op de eeuwige vrede, van God uitgaande, werd door de profeet Ezechiël geprofeteerd in de gezichten, die hij ontving: vanonder de dorpel van het Huis des Heren zag hij de wateren vlieden, totdat alle wateren ge­zond werden (Ezech. 47:1, 8.)

Het zal alles door de vrede bloeien. Het verziekte leven zal tot gezondheid ge­bracht worden door de liefde Gods in Jezus Christus. De eerste dingen zijn weggedaan, de satan is gebonden, zodat hij de volkeren niet meer verleiden zal (Openb. 20:10).

De vrede zal niet meer verstoord worden.

En dat alles door de wederkomst van onze Here Jezus Christus.

Dat levenswater biedt Hij nu reeds aan, aan alle dorstigen; dat betekent: reeds hier Zijn vrede smaken. Dat is een innerlijke vrede, die niet wis­selt door de omstandigheden, maar blijft en meegaat over graf en dood. In Jezus Chris­tus is dat alles overwonnen.

Door de omstandigheden, als tekenen der tijden, ziet het ge­loofsoog de Koning in al Zijn schoonheid en de Bruidegom in al Zijn heerlijkheid.

Dat ge­loofsoog ziet levenden en ontslapenen ver­enigd met Christus als het Hoofd der Gemeen­te. En bidt samen met de Geest: “Kom, Heere Jezus!” (Openb. 22:20). Amen.

Schrijf u in om berichten in uw emailbox te ontvangen

Door op 'Inschrijven' te klikken gaat u akkoord met de Privacyverklaring.