Hemelvaartsdag

Lezen wij eerst eens Handelingen 1 vers 1 en 2: “Het eerste boek heb ik gemaakt, o Théofilus, van al hetgeen Jezus begonnen heeft beide te doen en te leren; Tot op den dag, in welken Hij opgenomen is, nadat Hij door den Heiligen Geest aan de apostelen, die Hij uitverkoren had, bevelen had gegeven.” (Hand. 1:1,2).

Ja, wanneer wij onze christelijke feestdagen moeten schatten naar hun betekenis, dan staan we voor een moeilijke keus.

We meten de betekenis nog maar al te dikwijls af naar onze inzichten, en ik geloof dat daardoor bij velen de Hemelvaartsdag niet zo hoog staat aangeschreven als hij wel werkelijk is.

Een klein onderdeel van een horloge is toch niet van minder gewicht dan het grootste tandrad, en ook zelfs in het werk van de schepping kennen we geen groot en klein wanneer wij zien, dat de Here God Zélf de schepping ziet als één geheel, en dat ook in het raderwerk van de sterren er niet één gemist wordt (Jes. 40:26).

Evenmin mogen we daarom deze dag ten achter stellen bij één van de ándere grote vierdagen, bijvoorbeeld het Paasfeest, het feest van de Opstanding.

De Hemelvaartsdag is de dag waarvan David heeft gesproken: “God vaart op met gejuich, de Heere met geklank der bazuin.” (Ps. 47:6). En daarom zou de droefheid van de discipelen van de Heer op deze dag plaats maken voor blijdschap.

Want droefheid was er in de harten toen zij opgingen naar de Olijfberg; stilzwijgend zien wij hen gaan, de apostelen, voor de laatste keer met hun Heer deze berg bestijgende.

Welke herinneringen waren er verbonden aan deze berg!

Hier hadden zij gezeten toen zij aan de Heer de prachtige gebouwen van de tempel hadden getoond (Matth. 24:1).

Doch hier was ook de plaats waar zij de Meester gevolgd waren in die bange nacht toen Hij geworsteld en gebeden had (Matth. 26:1).

En dan de gedachte, dat de Heer voor goed van hen zou weggaan.

Zij begrepen nog niet dat het nuttig zou zijn, dat Hij van hen scheiden zou. Anders kon Hij toch de Heilige Geest niet zenden. Zij waren vergeten dat de Heer beloofd had, dat Hij weder zou komen en dat Hij hun geen wezen zou laten (Joh. 14:18).

En wanneer zij de Olijfberg naderen, dan herhaalt de Heer Zijn belofte en Hij beveelt hun daarom, dat zij van Jeruzalem niet zullen scheiden. Wat de Heer Jezus beloofd heeft, zal Hij doen, en ik geloof niet dat Zijn discipelen aan Zijn woord getwijfeld zullen hebben: “En Hij leidde hen buiten tot aan Bethánië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel.” (Luk. 24:50).

Wij kunnen ons de houding van onze Heer toen Hij opvoer ten hemel, moeilijk anders voorstellen dan met uitgebreide, zegenende handen. Wij zijn er geen voorstander van om onze Zaligmaker op enigerlei wijze af te beelden, maar toch ligt er een schone gedachte in, om ons voor ogen te zien: de Heer met opgeheven zegenende handen.

Het is goed als wij, in de geest wel te verstaan, de Heer Jezus altijd zó voor ons zien. Dan zullen wij ook geen behoefte hebben aan een beeld van steen of hout. Zegenende is de Heer ten hemel gevaren, dat is dus niet in de geest, zoals Hij in het dodenrijk is ingegaan, maar met Zijn ganse wezen. Dit wil zeggen: met Zijn verheerlijkt lichaam.

In Handelingen 1 vers 9 lezen wij, dat een wolk Hem wegnam van hun ogen. Het zou ook onmogelijk zijn, dat het menselijk oog Hem zou kunnen volgen, waar Hij weder heenging naar de plaats waar Hij tevoren was, namelijk: in de schoot des Vaders (Joh. 1:18).

En dit is juist de grote betekenis van deze dag en daarom mag deze dag niet achtergesteld worden bij andere feestdagen.

In 1 Timótheüs 3 vers 16, dat wij als een van de oudste christelijke hymnen (plechtelijke lofzang) mogen aanmerken, wordt de hemelvaart van Christus als laatste der grote heilsfeiten genoemd: “God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.” (1 Tim. 3:16). Hier nam dus de vernedering van Christus een einde en ontving Hij weer de heerlijkheid die Hij had, eer de wereld was (Joh.17:5).

Wel een reden dus om ons op deze dag te verblijden.

Maar nog zijn de discipelen teveel gehecht aan het stoffelijke, en met door tranen benevelde ogen staren zij hun Heiland na.

Als in een visioen dat verdwijnt, zien zij de afstand steeds groter worden, tot een wolk de heerlijkheid des Heren bedekt voor hun ogen.

Doch hun ogen kunnen zich niet losmaken van de plaats waar zij hun Heer voor het laatst gezien hebben en nog blijven zij staren naar de hemel, doch nú in de peilloze diepte van de oosterse hemel.

En terwijl zij zo opzien naar de hemel, ziet twee mannen stonden bij hen in witte kleding (Hand. 1:10).

Reeds aanstonds had de Heer het leger der engelen als Zijn dienaren, vlammen des vuurs, te Zijner beschikking en zendt hen met een boodschap vol vertroosting tot Zijn discipelen: “Gij Galilése mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.” (Hand 1:11).

Welk een ware troost ontvingen de discipelen hier.

Och, de Heer had hun alreeds gezegd, dat Hij zou komen op de wolken des hemels (Luk.21:27). Maar deze woorden hadden hun zo dreigend in de oren geklonken. Had niet reeds de profeet Joël gesproken, dat deze dag zou zijn een dag van duisterheid en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid? (Joël 2:2).

Maar nu zouden zij gaan verstaan, dat de Heer zou wederkomen om Zijn volk te troosten.

Gelijk zij nu opzagen naar de hemel, zo zouden zij ook eenmaal hun ogen opheffen naar de hemel, wetende dat hun verlossing nabij was. Een ongekende vreugde vervulde nu hun hart en we lezen, dat zij met grote blijdschap wederkeerden naar Jeruzalem.

Hoe groot zou de blijdschap worden, als zij eens werkelijk de belofte des Geestes zouden hebben ontvangen! Zolang de apostelen nog niet de gave van de beloofde Heilige Geest hadden ontvangen, konden ze nog niet het juiste inzicht hebben en kenden zij nog niet die volle blijdschap die alleen door de Heilige Geest kon gewerkt worden (Gal. 5:22).

Eerst moest Christus verheerlijkt worden. Dan pas kon de Here God Zich in Zijn volkomen Drie-eenheid als Vader, Zoon en Heilige Geest openbaren (Joh. 7:39).

En dat ogenblik was nu weldra daar. Nu zouden de beloften vervuld kunnen worden, die reeds in het Oude Testament gegeven waren, namelijk: dat God Zijn Geest zou uitstorten over alle vlees (Joël 2:28 e.v.).

Door Zijn lijden en sterven, had Christus Zich een Gemeente verworven die Hij gekocht had met Zijn eigen bloed. Doch deze Gemeente zou Hij als Zijn bruid óók sieren met de bruidsversierselen. Christus wil, dat Zijn bruid bij Hem zal zijn (Joh.17:24), en daarom heeft Hij ook alles geschonken wat tot haar volmaking nodig was.

Dit is juist de grote betekenis van deze feestdag. Want nu dat de Here is opgevaren met gejuich (Ps. 47:6); nu dat Hij de gevangenis gevankelijk gevoerd heeft, heeft Hij gaven genomen om uit te delen onder de mensenkinderen (Ps. 78).

Ja, gelijk de morgensterren eenmaal gejuicht hadden toen de Here God door het Woord alles daargesteld had (Job 38:7), zo hebben ook de engelen gejuicht, toen de Heer na Zijn vernedering en na het volbrachte verlossingswerk weer werd opgenomen in de heerlijkheid, die Hij had eer de wereld was (Fil. 2:6,7).

Want wij weten, dat ook de engelen zich verheugen in het heil van het mensdom, ja, dat er zelfs blijdschap is bij de engelen in de hemel over één zondaar die zich bekeert.

Paulus zegt: “Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is verre boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou.” (Éf. 4:10).

Na Zijn verheerlijking zou Hij heersen als de Koning van Zijn Kerk en hier zien wij ook het verband tussen de hemelvaart en het heil van Zijn Gemeente als Zijn bruid.

Wat Paulus in Éfeze 4 vers 11 tot en met 13 opnoemt, zouden wij de vrucht van Zijn hemelvaart kunnen noemen: “En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus; Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus.” (Éf. 4:11-13).

Vóór de uitstorting van de Heilige Geest was er nog sprake van een geordende Gemeente en daarom moesten de apostelen te Jeruzalem blijven, tótdat zij zouden zijn aangedaan met kracht uit de hoge.

Maar ná de uitstorting van de Heilige Geest zien wij de Gemeente van Christus als Zijn lichaam, dat Hij vervult met Zijn Geest en dat Hij liefheeft en onderhoudt. (Éf. 5:29). Maar Hij wil Zijn Gemeente ook brengen tot de volmaking, en daarom geloven wij hetgeen Paulus zegt in Éfeze 4 vers 11-13. De vruchten van de hemelvaart van onze Heer zouden zich toch openbaren alle eeuwen door, indien wij maar staan in het geloof van de eerste discipelen.

Maar het mensdom staart zich nog zo dikwijls blind op het verleden, gelijk de discipelen eerst staarden naar de hemel, hoewel zij met het natuurlijk oog de Heer niet meer konden aanschouwen. Het is niet voldoende wanneer wij alleen geloven in een historische Jezus.

De blijdschap bij de apostelen kwam pas, toen zij de verzekering verkregen hadden dat de Heer, volgens het woord der engelen, zou wederkeren.

Zeer zeker is er bij vele christenen een geloof in de wederkomst van Christus, maar het is niet dat blijde geloof dat de eerste christenen bezaten, dat geloof hetwelk de duisternis uit hun hart verdreef en hen in staat stelde om in tijden van verdrukking en vervolging zich nochtans te verblijden. Omdat zij wisten dat zij daardoor gemeenschap hadden aan het lijden van Christus, opdat zij zich ook in de openbaring van onze Heer Jezus Christus zouden mogen verblijden en verheugen (1 Petr. 4:13).

Velen verwachten de Heer alleen als de Rechter in de dag des oordeels, doch weinigen verwachten Hem als de hemelse Bruidegom. Dit is eigenlijk een toetssteen van ons geloof.

Wanneer wij zeggen, dat wij “Apostolisch!” zijn, dan moeten wij ook iets van die verwachting in ons en daardoor iets van die blijdschap smaken die de apostelen hadden. Want Apostolisch wil zeggen: “op de grondslag der apostelen gebouwd zijn.” (Hand. 2:42).

Wanneer wij Christus alleen willen kennen naar het vlees, zal de Hemelvaartsdag een dag van droefheid zijn, omdat de Heer van ons is weg gegaan. Tot de Joden, die ook vleselijk waren, sprak de Heer de veronderstellende vraag: “Wat zou het dan zijn, zo gij den Zoon des mensen zaagt opvaren, daar Hij te voren was?” (Joh. 6:62).

Ja, dat zou verschrikkelijk zijn. Doch de Heer voegt er in vers 63 aan toe: “De Geest is het, Die levend maakt; het vlees is niet nut.” (Joh. 6:63). Later heeft de Heer deze woorden toegelicht, toen Hij sprak: “Het is u nut, dat Ik wegga.” (Joh.16:7).

En waar wij nu staan in hetzelfde geloof, daar mogen ook wij deze woorden op ons van toepassing brengen. Het is ook ons nut, anders zouden ook wij geen Pinksterfeest kunnen vieren. Doch nu kunnen wij met blijdschap het Pinksterfeest tegemoet zien, doch wat meer is, ook wij mogen met blijdschap Zijn wederkomst tegemoet zien. Want wij weten, dat Christus, eenmaal geofferd zijnde om veler zonden weg te nemen, ten anderen male zal gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid (Hebr. 9:28).

Maranatha! Amen.

Schrijf u in om berichten in uw emailbox te ontvangen

Door op 'Inschrijven' te klikken gaat u akkoord met de Privacyverklaring.