1 Timóthëus 6 vers 12: “Strijd den goeden strijd des geloofs.”
Dikwijls worden wij door de Heer en Zijn dienaren aangespoord om de goede strijd des geloofs te strijden.
Er is veel strijd; ook de kinderen Gods hebben zeer veel strijd, maar niet altijd is hun strijd de goede strijd! Door domheid, onbezonnenheid, eigenliefde of liefde tot de wereld kunnen zij zichzelf veel strijd berokkenen.
Over die strijd willen wij niet schrijven, maar over de strijd van de eerlijke twijfelaar.
Door het geloof is de hoop, en die hoop wordt menigmaal teleurgesteld omdat dit geloof klein en zwak is, waardoor dan meestal niet de goede strijd wordt gestreden.
In de Heilige Schrift vinden wij hiervan vele voorbeelden die ons wat te leren hebben.
Wij denken onder andere aan apostel Thomas; deze Thomas was geen goede strijder.
De Here Jezus had het bericht ontvangen dat Lázarus ernstig ziek was, waarom Hij besloot om naar Judéa te gaan. Dit werd Hem echter door de discipelen afgeraden, omdat de Joden kort daarvoor hadden geprobeerd om de Heer te stenigen (Joh. 10:31-35), maar de Heer wilde tóch gaan (Joh. 11:7,8,14,15).
Thomas merkte dit op en zei tegen zijn medediscipelen: “laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven.” (Joh. 11:16).
Hij verwachtte in Judéa een nieuwe strijd en vreesde voor de nederlaag; apostel Thomas was toen nog geen leeuw want hij was de strijd snel moe.
De Heer maakte nog geen aanstalten om de troon van Israël te bestijgen. Thomas vond dat de dood de oplossing zou brengen van de strijd tegen de Meester en tegen Zijn volgelingen.
Het was ook niet de bedoeling van Thomas om, zoals de anderen, de beste plaats in het koninkrijk te begeren, en over de voortvarendheid van Petrus had hij dikwijls zijn hoofd geschud.
Wij moeten echter niet denken dat Thomas een gemakzuchtig mens was die de geestelijke strijd uit de weg ging. Hij was een man die uiterlijk kalm leek, maar inwendig veel strijd voerde.
Toen de Meester gevangen genomen werd, was ook hij, evenals de andere discipelen, heengegaan (Matth. 26:56). Niet om maar rustig naar bed te gaan en te gaan slapen, neen, maar wél om alles te overdenken en om zich nóg dieper in het raadsel te verdiepen zónder daar echter enig licht op te krijgen.
Thomas wenste zelfs, diep in zijn binnenste, dat hij nooit door de Heer was geroepen want hij was verlegen met deze roeping en met zoveel onbegrepen woorden van de Heer.
Wanneer de andere discipelen, ná de dood van de Heer, met elkander vergaderd waren, was hij afwezig (Joh. 20:24).
Zijn broeders zochten troost bij elkaar, maar al dat gepraat deed zijn ziel geweld aan en daarom bleef hij, in zijn binnenkamer, de voorbijgegane dingen overdenken; hij dacht er zelfs aan om maar weer terug te gaan naar Galiléa en daar zijn oude handwerk weer op te nemen.
Toen de andere discipelen met elkander vergaderd waren, verscheen de Heer aan hen; zij vertelden dit blijde nieuws aan Thomas; Thomas had er echter geen spijt van dat hij daar niet bij tegenwoordig was geweest, neen, hij zei zelfs: “Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vinger steke in het teken der nagelen, en steke mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven.” (Joh. 20:25).
Wat moet deze dienstknecht van de Heer toch diep teleurgesteld zijn geweest om zó te kunnen spreken!
Zijn hoop was totaal uitgeblust; maar neen, er was nog een vonkje hoop overgebleven: men had de Heer doorstoken en daar moesten dus de bewijzen van zijn.
Welnu, hij wilde die bewijzen éérst kunnen zien en aanraken. Hij zei niet: “Gij liegt”, maar hij wilde de tekenen zíen.
Acht dagen later vergaderden de discipelen opnieuw en zij hadden nu ook Thomas uitgenodigd. Thomas kwam ook, want er was een stille hoop in zijn hart dat hij nu óók de Heer mocht zien, dat de Heer óók aan hém zou verschijnen.
En de Heer, dit alles wetende, Hij die het hart van Thomas kende, kwam en ging naar Thomas en sprak hem aan en zei: “Breng uwen vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand, en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig.” (Joh. 20:27).
Thomas behoefde de tekenen niet te betasten maar riep zeer verrast: “Mijn Here en mijn God!” (Joh. 20:28).
Het gekrookte riet werd weder opgericht, de rokende vlaswiek weer aangeblazen (Jes. 42:3).
Thomas zag nu opeens waarom de Heer zoveel lijden moest; hij wist zich zelfs de grootste zondaar omdat hij de strijd niet goed streed vanwege zijn klein geloof.
Nú wist hij dat Zijn Meester zijn Heer en God was Die in Zijn eeuwig raadsbesluit óók hém had opgenomen om óók hem te verlossen van zonden, en dat op een manier, die voorheen voor Thomas te wonderlijk was.
Door klein geloof komt de twijfel; de twijfelaar is geen strijder, althans geen goede strijder.
Een groot geloof kan soms plotseling ineen zinken.
Petrus heeft de geloofsmoed om aan de Heer, Die op de golven wandelde, te vragen om hem te gebieden om tot Hem te komen. En toen de Heer sprak: “Kom”, toen had Petrus de geloofsmoed om uit het schommelende schip te stappen en over de golven de Heer tegemoet te gaan (Matth. 14:29).
Toen hij echter teveel naar de golven keek, toen ontzonk hem echter de moed en zonk hij.
Hij riep naar de Heer en de Heer was bij hem om hem te grijpen en zei tegen hem: “Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld?” (Matth. 14:31).
Gelovigen hebben altijd te bidden om geloofsversterking.
Voor velen zijn het de teleurstellingen die het geloof doen ineen krimpen waardoor de twijfel ontstaat.
Dit kunnen wij ook lezen in Markus 9 vers 1-29. Een vader heeft een zoon met een onreine geest, en wélke vader of moeder zou voor de genezing van zo’n kind niet alles doen wat in hun vermogen was?
Deze vader heeft van alles geprobeerd, maar niets mocht er baten.
Nú heeft men hem naar die wonderlijke profeet, Jezus van Nazareth, gezonden want misschien weet Die wél raad.
Deze man is zeer zeker een gelovige Jood, want hij gaat, maar vindt de Heer niet, alleen Zijn discipelen.
Toen de Heer van de berg afdaalde, vindt Hij Zijn discipelen twistende met de schriftgeleerden. En hierop vraagt de Heer aan deze schriftgeleerden: “Wat twist gij met dezen?” (Mark. 9:16).
Dan stapt de vader naar voren en vertelt aan de Heer van zijn bittere teleurstelling, en hij zegt dat hij zijn zoon bij de discipelen gebracht heeft teneinde hem te genezen maar zij hebben daarvoor niet de macht gehad.
Mismoedig zegt hij tegen de Heer: “Zij hebben niet gekund.” (Mark. 9:18).
De Heer ontsteekt in heilige ontroering en roept: “O, ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen?”
En Zich tot de vader wendende zegt Hij: “Breng hem tot Mij.” (Mark. 9:19).
En zij brachten hem bij de Heer: “En als hij Hem zag, scheurde hem terstond de geest; en hij, vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende.” (Mark. 9:20).
Wat een verschrikkelijk toneel.
En de vader? Wij kunnen ons indenken hóe hij daar stond te kijken, want nóg geneest de Heer zijn kind niet. De Heer vraagt aan hem hoe lange tijd hem dit overkomen was, en dán antwoordt de vader: “Van zijn kindsheid af.” (Mark. 9:21).
Een bange onzekerheid maakt zich nu van de vader meester; de vurige begeerte dat zijn kind uit deze ellendige toestand verlost zal worden doet hem echter tóch nog op de Here Jezus hopen en hij smeekt Hem: “Zo Gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen, en help ons.” (Mark. 9:22).
Nog wordt de vader niet uit deze bittere nood gered, want de Heer sprak tot hem: “Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk dengene die gelooft.” (Mark. 9:23).
Door dit woord van de Heer wordt de innerlijke strijd van de vader erger, want ligt het dan aan hém als hij straks naar huis moet gaan met zijn kind dat niet genezen is?
Een geweldige zielestrijd moet die vader gestreden hebben, want hij roept het uit: “Ik geloof Heere!”, máár, zich bewust van het feit dat er aan zijn geloof veel ontbrak, voegt hij er aan toe: “Kom mijn ongelovigheid te hulp.” (Mark. 9:24)
Want de discipelen hebben die boze geest niet kunnen uitwerpen. En nú vraagt de vader of de Heer het kan, maar de Heer verlegt het zwaartepunt naar de vader en zegt: “zo gij kunt geloven.” (Mark. 9:23).
De kracht van het geloof van deze vader lag juist hierin, dat hij wist dat, wanneer het door zíjn geloof moest zijn, zijn kind niet genezen zou.
De kracht lag in de bede: “Kom mijn ongelovigheid te hulp!”
Er volgt nu een vreselijk toneel want terwijl de Heer de boze geest bestrafte werd het kind als dood, zodat velen dachten dat het gestorven was, maar de Heer richtte het óp.
Wanneer dan de discipelen aan de Heer vragen: “Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?” (Mark. 9:28), dan zegt de Heer: “Om uws ongeloofs wil.” (Matth. 17:20).
Maar Hij laat er echter op volgen: “Dit geslacht kan nergens door uitgaan, dan door vasten en bidden.” (Mark. 9:29).
Te geloven is geen gemakkelijke zaak, omdat het geloofsleven zeer verbonden is met het natuurlijke leven. Een eerlijke twijfelaar zal echter niet omkomen.
Helaas zijn er echter velen die na een teleurstelling gaan mokken en twisten over onbegrepen dingen.
Zulk een strijd is niet de goede strijd want het is niet eerlijk wanneer wij, als wij teleurgesteld zijn in iemand, om daar met anderen over te spreken.
Dat verwekt verbittering. Maar wanneer wij er met de persoon in kwestie over spreken, dan kunnen wij altijd tot een oplossing komen.
Als het werk van de Heer ons tegenvalt, dan mogen wij er met niemand dan alleen met de Heer en Zijn dienaren over spreken, dát is eerlijk.
Maar wanneer wij dat doen, dan zijn wij er ook zeker van dat wij tot een goede oplossing kunnen komen, althans weer de vrede in onze ziel te mogen ontvangen.
Geloof is niet de zekerheid dat God doen zal wat wíj willen.
Geloof is vertrouwen in Gods wijsheid.
Geloof is: wanneer wij God niet verstaan in Zijn wijsheid, om dan kinderlijk stil te zijn.
Hij laat nooit Zijn kinderen over aan de smart van hun ziel; Hij blust de rokende vlaswiek niet uit, maar blaast die aan door Zijn Geest. Twijfel is uit de boze.
In het Paradijs werd de vrouw door de slang aan het twijfelen gebracht (Gen. 3:4-6).
Wanneer Gods kinderen niet waken, dán komt de boze en zaait onkruid te midden van de tarwe.
Wij mogen en moeten nooit beginnen om de werken Gods anders te verstaan dan ze zijn, en wij moeten nooit God willen helpen om Zijn raad uit te voeren.
Wij moeten nooit het ‘kwade’ ‘goed’ noemen; en wij moeten nooit een halve waarheid zeggen en de andere helft verzwijgen als het in ons voordeel is.
Al die dingen brengen strijd, een strijd die de goede strijd niet is.
Zij brengen ons geloof, en soms ook dat van anderen, aan het wankelen.
Wij leven in de wereld, en wanneer ons geloof altijd onaangevochten zou én kon blijven, dan had de vermaning geen zin: “Strijd den goeden strijd des geloofs.” (1 Tim. 6:12), want die strijd is juist gericht tegen de, op ons aanstormende, gedachten van twijfel en onzekerheid.
De overste dezer wereld heeft nog zóveel invloed op ons.
Maar bij de Heer is de kracht om te helpen en niemand hoeft, door twijfel bewogen, te wanhopen.
De Heer zocht de wankelende Thomas op en liet hem niet over aan zijn zwakke hart.
De Heer was meteen bij Petrus toen hij in de diepte wegzonk.
De Heer kwam op het juiste ogenblik van de berg der verheerlijking om de bitter teleurgestelde vader te helpen.
Dat wij dan de goede strijd des geloofs zullen strijden, als kinderen Gods, die onwankelbaar vast staan in het geloof! Zonder enige twijfel! Amen.