“Ik zocht des nachts op mijn leger Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zeide: Ik zal nu opstaan, en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij; ik zeide: Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft? Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijn moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft.” (Hoogl. 3:1-4).
Uit deze dichterlijke taal spreekt een smartelijke toestand bij de bruid. Ze zocht haar Liefste, maar vond Hem niet waar ze Hem voorheen wel had gevonden. Opstaande en in de stad omgaande, vond ze Hem ook daar niet, de wachters van de stad konden haar ook niet helpen. Eindelijk vond ze Hem weer.
We hebben hier te doen met een zielservaring bij de bruid, waaruit wij veel kunnen leren.
In het “voorheen” en “thans” kan ook bij ons zo’n groot verschil zijn.
De bruid had haar Bruidegom gehad op haar leger, maar nu was Hij daar niet meer.
Met het leger wordt hier bedoeld: het rustbed of de plaats der rust voor de ziel.
De Heer Jezus, op aarde zijnde, riep een ieder, die vermoeid van ziel was, om te komen tot Hem, om bij Hem rust te vinden (Matth. 11:28).
Toen Jesaja, in Jesaja 11 vers 1, van Hem profeteerde als van het Rijsje dat zou voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, tot zegen van alle volkeren, sprak hij in vers 10: “En zijn rust zal heerlijk zijn.”
De Heer is opgevaren naar de hemel, maar Hij gaf aan de vermoeiden van ziel een rustbed in Zijn dienst en ordeningen én de gaven van de Heilige Geest.
Dit is het leger (het bed of de rustplaats) van de bruidsgemeente, en op dát leger wil de Bruidegom met haar vertoeven.
Op deze wijze kan de bruid bij Hem rusten en Zijn heerlijke nabijheid op het allerlevendigst en gevoeligst ondervinden.
Vervuld met de Heilige Geest, smaakt zij Zijn nabijheid in het innige gevoel van liefde en tederheid voor Hem.
De overdenking van Zijn woord en daden brengt haar louter lust en vreugde en zij verblijdt zich in de zekerheid, dat Hij al Zijn beloften en toezeggingen aan haar vervullen zal.
Van deze heerlijke gemeenschap jubelde de bruid in Hooglied 1 en 2: “De geur van Uw nardus is liefelijk: Uw naam is een olie die uitgestort wordt, Mijn Liefste is mij een tros van Cyprus, in de wijngaarden van En-gedi. Zie, gij zijt schoon, mijn Liefste, ook groent onze bedstede… Als een appelboom onder de bomen van het woud, zó is mijn Liefste onder de zonen; ik heb grote lust in Zijn schaduwen, en zit er onder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet. Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij… Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn, Die onder de leliën weidt.” (o.a. Hoogl. 1:3, 12, 14, 16, Hoogl. 2:3, 4, 16).
Ja, tóen kon zij zingen: “’k Mag bij Hem in het wijnhuis zijn; Daar laaft Hij mij met zoeten wijn; Die voortstroomt uit Zijn wonden; En daar, terwijl k’ mijzelf vergeet; Is dit het enigst dat ik weet: Hij stierf voor mijne zonden.” (G. Jahn, Dächsel; Hoogl. 2:4).
Toen de bruid zó jubelen kon, toen het snarenspel van haar ziel aldus klonk en ruiste, toen had zij Hem, Die haar ziel liefheeft, op haar leger.
Toen was het de tijd van de eerste liefde (Openb. 2:4).
Toen was alles lente in haar ziel.
Toen zong en juichte alles in haar.
Toen dacht ze niet aan wat nog komen kon.
Wanneer het zielsoog open gaat voor de vele zegeningen, welke de Heer aan Zijn Kerk en aan elk van haar leden gegeven heeft, dan is de dienst des Heren enkel genot.
Wanneer een ziel uit haar zonde-ellende heeft leren roepen tot God om vergeving en mag zien op het Middelaars werk van de Heer, waardoor zij genade verkregen heeft, dan baadt zij zich in de stroom Zijner liefde die haar onbeperkt toevloeit.
Wanneer de ziel bovendien vervuld is met de Heilige Geest en de verkiezende liefde van de Bruidegom tot haar gevoelt, dan jubelt zij de lof des Heren uit.
Maar dan moet ze ook zeer waken, want dan kan het ook wezen, dat ze krank van liefde wordt.
Toen de Galatiërs de zegeningen van de Heilige Geest als met volle teugen indronken, zouden zij hun ogen, indien nodig, hebben laten uitgraven, om deze te geven aan hem, die hen op deze weg van zaligheid had gebracht (Gal. 4:15).
Velen hebben gemeend dat zij, door een tempel van de Heilige Geest te zijn, en in het bezit der bediening (1 Kor 12; Éfeze 4) reeds volmaakt waren.
Het horen van het spreken des Heren door het woord der profetie, het smaken van het Heilig Avondmaal en de gemeenschap der heiligen, ja, alles wat te genieten is in de dienst des Heren, kan zó overstelpend zijn, dat men de dichter met hart en ziel kan nazingen: “Een volle beek van wellust maakt hier elk in liefde dronken.” (Psalmen en Gezangenboek 1938, Psalm 136,2).
De bruid verkeerde in een droeve, beklagenswaardige toestand. Het leger (bed) was er wel, maar de Bruidegom was daar niet meer op.
Bovendien was het licht, dat haar voorheen toestroomde, veranderd in nachtelijke duisternis. Zij had gezeten als bij een rijke Bron, die haar laafde, zij had gedronken en genoten, onbekommerd over wat volgen zou.
Het was de eerste vreugde, het waren de schone dagen van de eerste liefde voor Jezus.
Alle bezwaren en gevaren, alle strijd en aanvechting, alle moeite en bekommering lag daar nog vóór haar in de schemerende verte. Maar zij zouden komen…
In de tijd van de eerste liefde was zij meer met Christus ingenomen om het zoet genot van Zijn gaven, dan dat zij door het gevoel van zonde en zwakheid aan Hem verbonden was.
Zulk een band is niet sterk. Zulk een liefde kan spoedig geblust worden door velerlei vleselijke beproevingen, die noodwendig in het leven doorgemaakt moeten worden.
Zulk een liefde is nog geen vurige gloed, die sterk is als de dood, harder dan het graf, en die vele wateren niet zouden kunnen uitblussen (Hoogl. 8:6,7).
Nee, de bruid is niet zo maar kruisdraagster.
De volmaking van de bruid is niet alleen gelegen in het genoegen dat zij bij de Bruidegom vindt, in de zegeningen die Hij door ambten en gaven van de Heilige Geest haar doet toestromen, en niet steeds in de gevoelvolle, heerlijke uren, die zij in Zijn tegenwoordigheid geniet in Zijn Huis, maar haar wasdom moet ook zijn in het besef van een diepe afhankelijkheid van Hem, en in het gevoel van onvermogen, waardoor zij telkens tot de ontdekking moet komen van gezondigd te hebben, zodat zij zichzelf een last wordt (Rom. 7:1,4-24).
Ach, het is soms zo donker geworden in menig hart, en zo menig eersteling ziet op de tijd van de eerste liefde terug als op een uitgebloeid verleden.
Hoe dit zo geworden is?
De oorzaken kunnen velerlei zijn. De bruid heeft te veel gedacht aan haar voorrecht als uitverkorene van de Heer, waarom zij vergat, wat zij nog zozeer van node had tot haar heiligmaking. Zij vergat om de last van de zonde af te leggen, de zonde die haar zo lichtelijk omringde (Hebr. 12:1).
Zó veranderde de welige lente in een koude winterstaat en het loflied van weleer veranderde in de bittere klacht: “Ik heb mijn Bruidegom verloren.”
Wel heeft ze dan nog een leger (bed), maar mist haar Liefste.
De bedieningen en Geestesgaven zijn er nog wel, maar zij bewegen noch ontroeren haar ziel niet meer.
Doch het verging de bruid uit het Hooglied, gelijk als de dichter van Psalm 42, die in diepe droefheid tot zijn ziel zei: “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God.” (Ps. 42:1).
Ja, er was nog hoop bij de bruid dat zij haar Bruidegom weer zou vinden!
Dit deed haar opstaan en uitgaan om haar Liefste te zoeken.
Zij ging Hem zoeken in de stad, het geestelijk Jeruzalem (christenheid), wier wachters (predikers) in het nachtelijke duister, door de straten en wijken (ordeningen) wandelen.
Daar dacht de bruid het verloren zielsgeluk weer te vinden en haar Bruidegom te ontmoeten, maar zij vond Hem niet direct.
Wanneer een mens merkt dat hij door eigen schuld zijn levensgeluk verloren heeft, is hij niet meteen bereid om dit dadelijk te erkennen en zijn zonde berouwvol te belijden.
Hij probeert dan meestal om zelf zijn fout te herstellen en het gebeurt dikwijls, dat hij dit doet op een manier die hem schade en schande berokkent.
Zo is het meerdere malen gebeurd met de bruid, dat zij tot de wachters ging om te vragen naar haar Liefste. Toen sloegen dezen haar en namen haar sluier van haar (Hoogl. 5:7).
Als de bruidsgemeente aan de dienaren van de vele kerkafdelingen moet gaan vragen of zij ook haar Bruidegom hebben gezien, dan kan ze er op rekenen dat zij bespot wordt.
Zij, die eertijds er op geroemd heeft de uitverkoren bruid van de Heer te zijn, en begiftigd te zijn met vele en rijke gaven van de Heilige Geest, en dienaren te bezitten (Éf. 4:11), die niet bekwaam gemaakt zijn door mensen, maar geroepen en bevestigd door de Heilige Geest, en ze zou dan moeten bekennen: Ik heb mijn Bruidegom verloren.
O, beware de Heer haar en iedere eersteling voor deze dieptreurige toestand!
De Apostolische Kerk, welke de Heer Zijn bruidsgemeente noemt (Openb. 21:9), is de strijd niet gespaard gebleven. Velen zijn in die strijd omgekomen.
Toen de strijd kwam, vond de Heer haar ongeoefend. Klaagde de Heer niet over de voortreffelijke gemeente van Éfeze dat zij haar eerste liefde had verlaten? (Openb. 2:4).
Tot haar spreekt de Heer de zeer ernstige waarschuwing: “Gedenk dan, waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal u haastelijk bijkomen, en zal uw kandelaar van zijn plaats weren.” (Openb. 2:4,5).
Velen hebben zich alleen gesteld met het leger (bed).
Zij konden den Heer wel missen. Er was geen liefde in hun hart tot Hem.
Zij vreesden alleen de straf en meenden genoeg te doen, als zij de tekenen volgden.
Is het niet zó, dat velen in de dag des Heren dag zullen zeggen, dat zij in Zijn Naam krachten hebben gedaan en zelfs hebben geprofeteerd, doch niet zullen ingaan in Zijn heerlijkheid? (Matth. 7:21-23).
Is het niet zó, dat zelfs plaatselijke gemeenten zich afgescheiden hebben en zich tevreden hebben gesteld met een leger, maar zonder Bruidegom?
Maar de bruid zocht en eindelijk vond ze Hem!
Want zou Hij, de Bruidegom, die haar liefheeft met een eeuwige onveranderlijke liefde Zich dan niet laten vinden? O, zeker, zij hield Hem vast en liet Hem niet meer gaan, maar bracht Hem in het huis van haar moeder.
Wij moeten deze beeldspraak aldus verstaan: de apostel Paulus noemt de hemel der hemelen, waar God woont, het Jeruzalem dat boven is, ons aller moeder (Gal. 4:26).
Van de hemelse heerlijkheid, welke de bruid eens smaken zal, kan zij hier op aarde reeds genieten. Zo spreekt Paulus van een: “gezet zijn in de hemel.” (Éf. 2:6). En van een “wandelen in de hemel.” (Fil. 3:20).
Hiermee wordt de geluksstaat bedoeld, waarin de bruid verkeerde in haar eerste liefde.
Zij hield Hem vast en liet Hem niet gaan.
O, mochten vele twijfelende zielen onder ons verstaan, dat hun wankelen aan hun klein geloof ligt en aan te weinig liefde tot de Heer, waardoor de genoegzame zelfverloochening ontbreekt.
Mochten velen, die de Heer de rug toekeerden, nog komen tot het besef: “Ik heb mijn Bruidegom verloren”, en terugkeren om Hem nimmermeer los te laten!
Waken wij allen dat, wanneer daar enige verachtering bij ons te bespeuren valt, dat wij ons niet rustig neerstrijken op een bed, waarop de Bruidegom ontbreekt. Amen.