Wij wenden ons met dit artikel, dat als een oud geschriftje van de Hersteld Apostolische Zendingkerk eens is uitgebracht, tot diegenen van onze tijdgenoten die nog in de Bijbel geloven.
Hun getal is niet groot en zal zelfs zo klein geworden dat de Here Jezus zal vragen: “Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?” (Luk. 18:8 NBG).
Onder die weinig overgebleven gelovigen zijn er zelfs ook nog die, net als de maagden uit het Evangelie van Matthéüs, zijn ingeslapen omdat de komst van de Bruidegom zo lang op zich laat wachten (Matth. 25:1-13).
En dan de vraag van de spotters in de dagen van apostel Petrus: “Wat voor een verandering is er dan te zien…? Alles blijft toch zoals het geweest is?” (2 Petr. 3:3,4). Door deze vragen zijn er ook velen traag geworden in het geloof.
Hoe kan dat nu?
Dit komt, doordat men niet waakzaam genoeg is en de Heilige Schrift niet goed leest. Men verzuimt om de tekenen der tijden te vergelijken met hetgeen de Here Jezus en Zijn dienaren daarover voorzegd hebben.
Ook nu, in deze tijd, zou de Here Jezus nog tot vele christenen roepen: “De natuurlijke dingen onderscheidt gij wel, maar de geestelijke niet!” (Matth. 16:1-4).
De zaken van het stoffelijke leven, de strijd om het natuurlijke bestaan, nemen ook de christenen te veel in beslag zodat er geen tijd meer overblijft om het Woord van God, de Bijbel, te onderzoeken.
En toch ziet men, min of meer onbewust (evenals trouwens vele ongelovigen), dat de tegenwoordige maatschappelijke orde zo niet veel langer kan blijven voortbestaan.
De grondslagen van het gehele geestelijke en maatschappelijke leven worden ondermijnd; alle eerbied voor het gezag gaat verloren, ook van de kinderen tegenover hun ouders; baas en knecht zijn vijanden; het huwelijksrecht wordt ontbonden; de zedelijkheid wordt bespot door boeken, toneel, bioscoop en televisie; de zondag wordt ontheiligd en de Godsdienst wordt geminacht.
Omstreeks het jaar 1850, toen de ontdekkingen van de natuurwetenschappen een grote vlucht namen en men meende dat men alles kon verklaren buiten de Here God om, toen hoorde men algemeen: “Nu zal door een meerdere kennis de beschaving komen, en wat het Evangelie niet heeft kunnen volbrengen; de verbetering van de mens, zal nu door beter onderwijs wel gelukken; men heeft in het geheel geen “Verlosser” nodig om tot de volheid te geraken.”
Zo juichte men! En, de gevolgen?
Meer en meer scholen, zeer zeker, maar ook ontstellend veel inrichtingen voor zenuwlijders, krankzinnigen, steeds een tekort aan gevangenissen en het aantal rechters is veel te klein zodat de processen lang nadat het delict gepleegd is, pas plaats vinden.
Het aantal misdaden op allerlei, maar vooral op seksueel gebied neemt ontstellend toe en de eerbied voor het leven verdwijnt (niet alleen bij moordenaars, maar ook bij vele gehuwde mensen).
Overal wordt de rust verstoord door het overdreven gebruik van de moderne uitvindingen en steeds maar weer wordt de mens voortgedreven, steeds haastiger en haastiger en doellozer.
En boven al dit verbijsterende gedoe uit wordt er hoe langer hoe luider geroepen: “Vrede! Vrede!”
Echter, ondanks dit geroep om vrede, ondanks de eindeloze besprekingen van de regeringsleiders, gaan alle landen steeds maar door om zich voor te bereiden op een nieuwe verdelgingskrijg.
En zult u nu ook, evenals de spotters in de dagen van apostel Petrus, zeggen: “Alles blijft bij het oude?”
Maar weet u echter wel dat in de, door velen zo verachtte, Bijbel deze tekenen van onze laatste tijd reeds voorzegd zijn als HET kenmerk voor de dagen die aan de wederkomst van de Here Jezus Christus zal voorafgaan?
De door de Bijbel voorzegde tekenen des tijds zijn gekomen; maar dan zal ook alles vervuld worden wat er over de persoonlijke wederkomst van de Here Jezus Christus is voorzegd.
En wanneer de Here Jezus nu heden of morgen eens kwam, zou u dan bereid zijn om Hem te ontmoeten?
En hóe kunnen wij nu Die Heer onbevreesd ontmoeten?
Wie in de Zoon gelooft, kan zónder vrees zijn, want Die Zoon heeft gezegd: “Gelooft in Mij, gelijkerwijs de Schrift zegt!” (Joh. 7:38).
Dát geloof heeft Hij aan Zijn jongeren gegeven en deze jongeren hebben dit, vóór twintig eeuwen, op Zijn bevel verkondigd en nader uiteengezet.
Zij hebben de Kerk op een onveranderlijke grondslag gesticht, zoals hun Zender hen geleerd had. Zij hebben daarmede voor alle tijden van het Nieuwe Verbond aangegeven hóe wij zullen geloven en hóe de Kerk bestuurd zal worden.
Een ieder die daaraan iets toedoet of afdoet, die zondigt!
Wie dus zó in de Zoon gelooft, die kan zónder vrees de dag van Zijn toekomst verwachten.
“Maar…”, zo zult u nu zeggen,”de kerken van nu beantwoorden niet geheel meer aan dat oorspronkelijke beeld.”
Zeker, en wanneer u de Heilige Schrift nauwkeurig leest, dan zult u zelfs zeer grote verschillen opmerken.
Wáár zijn bijvoorbeeld de gaven van de Heilige Geest, die de Heer beloofd had aan Zijn Kerk te zullen geven, gebleven? (1 Kor. 12:1-11).
De éérste Kerk heeft ze in ruime mate bezeten, tot troost, tot voorlichting en tot de verkondiging van de toekomende dingen.
Wáár zijn de dienaren die door de Heer Zélf gezonden zijn (Éf. 4:11) om de zuchtende zondaar in Zijn Naam toe te roepen: “Uwe zonden zijn u vergeven!” (2 Kor. 5:18-21).
Wáár zijn de tekenen en wonderen in genezing van zieken door de handoplegging en de zalving gebleven? (Jak. 5:14,15).
Hebben wij dan in deze donkere tijden deze bijzondere vertroostingen niet meer nodig?
Is in onze donkere tijd het profetische woord, dat als een licht in een duistere plaats schijnt, niet meer nodig? (2 Petr. 1:19).
Wij zien dus dat er, in geestelijke zin, in de kerken een algemene armoede heerst.
Wáárdoor is dan die armoede ontstaan?
Doordat men is afgeweken van de eenvoudige leer van de Heilige Schrift, omdat de mens het béter dacht te weten dan de Heilige Geest.
Toch zijn er altijd mensen geweest die de armoede van hun kerk zagen en dat óók wilden erkennen. Tot hun troost lazen zij in de Bijbel dat de Heer Jezus gezegd had: “Zal dan de hemelse Vader de Heilige Geest niet geven aan diegenen die Hem daarom bidden?” (Luk. 11:13).
Deze mensen die zó, dag en nacht, gesmeekt hebben, hebben verhoring van hun gebeden gekregen en toen ontstond er weer de Kerk die toegerust was met de gaven van de Heilige Geest en die bestuurd werd door dienaren die door het woord der profetie door de Heer daarvoor werden geroepen, zoals bijvoorbeeld Paulus tot zijn apostelambt geroepen werd.
Wij schreven als titel: “Indien de Here Jezus eens kwam”, Hij komt zeker, maar dan wil Hij Zijn Gemeente als een reine maagd ontmoeten, een maagd, zónder vlek of rimpel (Éf. 5:27), versierd met de versierselen van een bruid, dat wil zeggen: met de gaven van de Heilige Geest.
Deze gaven kunt ook u ontvangen, wanneer u zich laat leiden door de dienstknechten die de Heer in deze onze laatste tijd geschonken heeft.
Misschien vertrouwt u dit alles niet. Wij kunnen u dat dan niet kwalijk nemen, want de Heer heeft gezegd, als een teken van het laatste der tijden, dat er vele misleiders zouden opstaan (Matth. 24:23-25); en vele verleiders zijn er reeds in de Naam van de Here Jezus gekomen.
Echter, de vraag betreffende de wederkomst van de Heer is van een zó groot belang, dat u tóch eens de leer van de hiervoor bedoelde Kerk zoudt kunnen onderzoeken, maar dan zónder vóóroordeel, alléén bij het licht van de Heilige Schrift.
Wij vrezen het licht van dat Woord niet, want wie de Waarheid doet, die komt tot het Licht!
Koopt dan de tijd uit omdat de dagen boos zijn! (Éf. 5:16).
MARAN-ATHA! De Heer komt! Amen.