“De genade van den Heere Jezus Christus, en de liefde van God, en de gemeenschap des Heiligen Geestes, zij met u allen.”
Zo doet apostel Paulus ons woordelijk de Apostolische zegen kennen, die aan het einde van de Eredienst op de Gemeente wordt gelegd (2 Kor. 13:13).
Wanneer deze zegen wordt uitgesproken en gegeven, wil dit allerminst zeggen dat het nu is “afgelopen”, de kerk “uit” is en ieder zijns weegs moet gaan.
Het mag dan al zo zijn, dat de Eredienst met het spreken van de zegen besloten wordt, in werkelijkheid is die zegen het dragen van een zo overweldigende liefde Gods voor Zijn volk, dat ook buiten de Eredienst en buiten het kerkgebouw, de Kerk, de Gemeente, de bruid deze zegen ons deel is, van hetgeen we niet genoeg doordrongen kunnen zijn.
Die zegen rust op ons en dragen wij met ons, van de tijd van onze gemeenschappelijke samenkomst in en over de tijd, totdat we weer samenkomen.
Die zegen vormt als het ware een onverbreekbare keten, “de gouden draad”, die we overal in het werk Gods ontwaren.
We staan zo weinig stil bij datgene, dat zo heel gewoon in onze oren klinkt en niet nieuw is.
Daardoor genieten en benutten we vaak te weinig de milde zegeningen, die onze trouwe Hemelvader ons in Zijn rijke liefde schenkt wanneer God ons Zijn Zegen doet schenken, dan is die zegen er. We kunnen die terstond tot ons nemen, tot ons eigendom maken en meedragen.
Het is niet zo dat we slechts “hopen” dat God ons die zegen zal geven. Zou dat zo zijn, dan is er nog geen sprake van een zegen, doch hoogstens van een “zegenbede” die op vervulling wacht.
Nee, God doet ons die zegen geworden en we ontvangen die zegen onmiddellijk.
We ontvangen dus: “De genade van den Heere Jezus Christus.”
Wat is dat overweldigend! Dat is het opgenomen worden in de stroom der genade van Gods liefde, gewerkt door de Zoon des Vaders en ons geopenbaard door de Heilige Geest.
Dat is de rijkdom van alles wat onze Zaligmaker ons aan genade schenkt.
Dat is zegen, die door de werking van de Heilige Geest, door de Vader en de Zoon geschonken wordt aan dezulken, die tot die ontvangst uitverkoren zijn.
Dat is volheid van Jezus Zelf, Die hier in Zijn grootheid tot ons komt; in Zijn grootheid, want Jezus Christus is de genadegift Gods jegens het zondige mensengeslacht.
De tweede brief van apostel Paulus aan de Korinthiërs wordt dus besloten met de genade van Jezus Christus. We kunnen, als het Nieuw-Testamentische verbondsvolk, in waarheid zeggen dat waar “de genade van den Heere Jezus Christus” als zegen tegenwoordig is, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest daarin besloten liggen.
De liefde van God immers is de genade van den Heere Jezus Christus.
Het één sluit het andere niet uit, kunnen elkander ook niet uitsluiten, want beide gaan in elkaar op, zijn Eén. “Ik en de Vader zijn één.” (Joh. 10:30). Zo wil de zegen van onze Heere Jezus Christus ook ons vormen tot één zijn met Jezus. Want gelijkerwijs de Zoon met de Vader Eén is, alzo wil onze Heer, dat ook wij allen als één, één zijn met Hem.
Tezamen is de genade van de Heere Jezus Christus en de liefde Gods een éénheid, waarvan het één buiten het ander niet begrepen kan worden, zoals trouwens alles in het Koninkrijk van God ongedeeld is door de gemeenschap van de Heilige Geest, Die álles als éénheid zodanig tezamen bindt, dat het één buiten het ander niet te verstaan is, waaruit blijkt dat God, als de “Alomtegenwoordige”, de “Onvergankelijke”, de “Onveranderlijke”, alles in allen vervult.
Evenzo duidt het woord “gemeenschap” op de éénheid van een veelheid.
Gemeenschap van de Heilige Geest wil hier niet zeggen, dat we op een meer of minder eenvoudige wijze dóór de Heilige Geest verbonden zijn, maar dat de Heilige Geest ons zó tezamen bindt, dat “allen” (dat is een veelheid) dóór Hem en in Hem als een “volkomen man” (dat is de éénheid, Éf. 4:13) in elkaar opgaan, om die éénheid te vormen. Zo is het ook met de Liefde van God.
Menselijke liefde is slechts een uiting van sympathie ten opzichte van het betreffende voorwerp der liefde, hetzij dit een mens, een dier of een ding is. Zij is steeds betrekkelijk.
Goddelijke liefde is anders. Het is een in volkomen harmonie zijn, ten opzichte van het één tot het ander.
Goddelijke liefde is “evenwicht”, “zuiverheid”, “schoonheid”, “VREDE”, waardoor alles op elkaar ingesteld is, om een volkomen éénheid te vormen, waarin het één buiten het ander niet kan.
Maar zodra aan die strenge éénheids-eis niet voldaan wordt, treedt er ogenblikkelijk onevenwichtigheid op met als gevolg dat alles uit zijn verband wordt gerukt, verdeeld wordt en disharmonie, “onvrede” het resultaat is.
Het aller duidelijkste voorbeeld van het laatste is de zondeval.
Om tot de ware Goddelijke liefde te komen, denken we aan de geestelijke, de wedergeboorte.
In tegenstelling met menselijke liefde, zien we dus dat Goddelijke liefde niet betrekkelijk, niet relatief is, maar absoluut.
Om tot de diepten van het Godsrijk door te dringen, zijn er dingen die we geestelijk goed moeten verstaan: “Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest doorzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. Want wie van de mensen weet, hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is? Alzo weet ook niemand, hetgeen Gods is, dan de Geest Gods. Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn.” (1 Kor. 2:10-12).
En deze woorden gelden niet het minst voor ons, Apostolischen, die er ons zo gaarne op beroepen en beroemen, een volk des Heiligen Geestes te zijn.
Bezield als we zijn met Gods Geest, zullen en mogen we ons benaarstigen tot de diepten Gods door te dringen en dat kunnen we mede door de genade van Jezus Christus, die doorlopend mét ons is als zegen, waardoor wij verzekerd zijn van de liefde van God; die zegen, die elke zondag weer aan ons wordt vernieuwd. Die zegen trekt, waar we ons ook bevinden, altijd mee.
Steeds weer kunnen we Zijn tegenwoordigheid in ons hart ervaren en Zijn vrede ondervinden, als we er maar acht op geven.
Waar in het harte onvrede heerst, daar wordt de zegen veronachtzaamd en de liefde van Jezus Christus en de liefde Gods veracht. De éénheid, die de gemeenschap des Heiligen Geestes schenkt, is evenals een opgewekt en levend geloofsleven dan afwezig. In die sfeer grijnst nog de dood en tracht de vorst der wereld zijn prooi te vinden en verdeeldheid te zaaien.
De genade van den Heere Jezus Christus, de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes dwingen tot opgewektheid, tot tevredenheid (samenstelling uit “vrede”) en niet het minst tot dankbaarheid.
Die Goddelijke zegen stelt ons in staat en dwingt ons; God te loven en te prijzen van de ochtend tot de avondstond, omdat we het ervaren, elke dag opnieuw, dat Zijn vriendelijk aangezicht blijvend over ons is lichtende. Dus;
1. De genade van den Heere Jezus Christus mèt allen.
2. De liefde Gods mèt allen.
Tenslotte: De gemeenschap des Heiligen Geestes mèt allen.
De gemeenschap des Heiligen Geestes is dus Gods gemeenschap. Na de Eredienst is de Kerk daar, ook al is ieder van haar leden zijns weegs gegaan. Allen zijn aan elkaar verbonden door de gemeenschap van de Heilige Geest.
Die Kerk, bestaande uit afzonderlijke leden, staat daar als een rots en trotseert de eeuwen door de gemeenschap van de Heilige Geest.
Op haar afzonderlijke leden rust de plicht om de eenheid te bewaren door de band des vredes, immers; wij vormen tezamen één Lichaam en één Geest, gelijk ieder van ons ook geroepen is in de éne hoop zijner roeping: één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die is boven allen, en door allen, en in allen (Éf. 4:1-6).
Moge deze korte overdenking er het hare toe bijdragen, dat elke keer weer, wanneer u de zegen hoort uitspreken, die u ontvangt en deel maakt van uw leven, de grootheid en rijkdom van die zegen doordringt tot een ieder van ons!
Opdat elke dag van ons leven beleefd wordt in en door, en met de zegen van Die, nooit volprezen liefdevolle God en Vader; dien Hij ons mededeelt door de genade van den Heere Jezus Christus in gemeenschap met de Heilige Geest.
Zalig, Die driemaal Heilige God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, Die ons de zegen schenkt als “de gouden draad”, waardoor Zijn werk verbonden blijft.
Zalig de dienstknecht, die geroepen wordt en zich zijn taak bewust is, om die zegen op het volk des Heren te leggen in de volheid van het geloof.
Zalig de mens, die de zegen ontvangt en daarin de stem herkent van de Goede Herder, Die waakt over Zijn kudde, waarvan een nietig mensenkind, een schaapje mag zijn! Amen.