Wanneer we de Schriftlezing uit Lukas 1 vers 39-56, die bij de bovenstaande titel hoort, gelezen hebben, dan zullen we de keuze van het opschrift van dit artikel kunnen verstaan.
Reeds in het dagelijks leven is het iets roerends wanneer jonge lieden zich vol vertrouwen tot oudere bloedverwanten of vrienden wenden, om daar hun hart eens uit te storten wanneer geestelijke zaken hen vervullen; wanneer er allerlei moeilijke of in het geheel niet te beantwoorden vragen zich voordoen; wanneer ze verrukt zijn, als daar in Gods Koninkrijk iets groots is geschied.
Jongeren die in het gezegende bezit zijn van zulke oude verwanten of vrienden, kunnen daarvoor nooit dankbaar genoeg zijn. En voor ouderen is het een verkwikking, wanneer ze zo volkomen het vertrouwen van de jongeren bezitten.
Het is voor oudere dienstknechten een der schoonste zaken in hun ambtelijk leven, wanneer de jeugd zich tot hen wendt om hetgeen de jonge harten vervult, aan te horen; de blijdschap te delen; te troosten in smarten; raad te geven in moeilijkheden.
Al deze gedachten komen bij ons op wanneer we ons tekstgedeelte lezen.
Maria stond voor een berg van moeilijkheden nadat de engel was heengegaan. De hemelbode, dit voorziende, had het zozeer ontroerde meisje iets geopenbaard dat haar tot geloofsversterking zou dienen: “En zie, Elizabet, uw nicht, is ook zelve bevrucht, met een zoon, in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde. Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.” (Luk. 1:36).
Maria reisde haastig naar het gebergte, in een stad van Juda, waar de oude priester Zacharías met zijn vrouw woonde. Oprechte mensen, van wie de Schrift een heerlijk getuigenis geeft: “En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijk.”
Kon zulks maar van ons allen getuigd worden!
En toch was er een knagend leed in de harten van deze oude lieden, want er rustte een smaad op hen door het wanbegrip van de Joden: ‘kinderloosheid’ was een straf van de hemel voor verborgen zonden.
Vrome mensen wonen in een glazen huisje; minder vromen letten nauwkeurig op hen in de hoop iets te ontdekken, dat minder goed is, om zich zelf daarmee te verontschuldigen!
Maar het gedrag van de oude priester en zijn gade gaf geen gelegenheid tot beschuldigingen.
Doch de boosheid is nooit zo spoedig uit het veld geslagen!
Zacharías en zijn vrouw mochten dan uiterlijk braaf zijn, maar innerlijk moest er toch wel een ernstig gebrek zijn want anders zou hun huwelijk niet kinderloos zijn gebleven!
Hoe vele vromen hebben hetzelfde lot van deze oude lieden niet gedeeld. Iemand wordt zwaar beproefd, en in plaats dat men hem troost komt de beschuldiging: “Daar zal wel een verborgen zonde zijn, doch bekend bij God, Die de zondaar tegenkomt.”
Zulke onbarmhartige en goddeloze meningen hebben een taai leven, evenals sommige soorten onkruid, die men ook maar niet kan uitroeien.
De Schrift getuigt echter: “God kastijdt, wie Hij liefheeft.” (Spr. 3:12; Hebr. 12:6; Openb. 3:19).
En onze gezegende Heiland nam de verdediging op Zich van de lieden, die omgekomen waren, toen de toren van Siloam op hen stortte en Hij nam het op voor de Galiléërs, wier bloed door Pilatus vermengd was met het bloed van hun offerdieren: “Waren ze zondiger dan gij, onbarmhartige beoordelaren?” zo vraagt de liefdevolle Heiland. “Ik zeg u: Neen! Maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan.” (Luk.13:1-5).
Maria kende het oordeel van de Joden over lieden, wier huwelijk niet met kinderen gezegend was. En, hoe zal het haar gegriefd hebben dat onbarmhartige naasten haar vrome verwanten zo volkomen onverdiend beschuldigden!
Maar daar kwam het woord van de engel: “Elizabet, de onvruchtbare, is in de zesde maand!” (Luk. 1:36).
God, bij Wie geen ding onmogelijk is, had een wonder gewrocht als eenmaal bij de verstorven Abraham en Sara, toen de Voornaamste van de drie geheimzinnige Gasten bij de eikenbossen van Mamre de aartsvader de geboorte van een zoon aanzegde en daarbij de vraag stelde: “Zou iets voor den Heere te wonderlijk zijn?” (Gen. 18:14).
Het Oude Verbond begon en eindigde met een gelijk wonder: een onvruchtbaar echtpaar werd gezegend.
Het Nieuwe zou met een nog groter wonder aanvangen: de geboorte uit een maagd.
Maria heeft zich dus kunnen verblijden dat haar oude nicht niet alleen van smaad bevrijd werd, maar zelfs kennelijk werd bevoorrecht alsof de Almachtige na het bitter nu het zoet van een bijzondere genade wilde schenken.
Maria wilde van die vreugde deelgenote zijn, waardoor zij tevens voor haar geloof een krachtige versterking zou krijgen. Wachten kon ze niet.
Een onweerstaanbare drang dreef haar om haastig naar het gebergte te gaan, om zich daar met haar oude nicht te verblijden, maar ook om haar deelgenote te maken van hetgeen haar overkomen was.
En nauwelijks had Maria haar nicht gegroet, of deze, gedreven door de Heilige Geest, barstte uit in een lofprijzing, waarin de jonkvrouw tot haar verbazing hoorde, wat Gabriël reeds tot haar gezegd had: “Gij zijt gezegend onder de vrouwen!” (Luk. 1:28).
En door de mond van de oude vrouw werd de aanstaande geboorte van de Messias bevestigd: “En van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt? En zalig iszij, die geloofd heeft; want de dingen, die haar van den Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden.” (Luk. 1:43,45).
“Zalig, is zij die geloofd heeft!” En dat moest Zacharías aanhoren, die wegens zijn ongeloof gestraft werd met een stomheid van negen maanden!
Hoe gaarne zou ook hij zijn vreugde hebben uitgedrukt, vreugde over het wegnemen van de smaad die op hem en zijn vrouw rustte; vreugde over de grootse zending, die het te verwachten kind Johannes zou vervullen moeten, om de komst aan te kondigen van dàt Kind, dat het reine nichtje, dat voor hem stond, door de kracht van de Heilige Geest, het aanschijn zou geven!
O, dat ook hij iets had mogen getuigen, van al het grootse, dat te gebeuren stond!
En nu werd de Heilige Geest vaardig over haar, die boven alle vrouwen gezegend was. In een verheven loflied drukt zij haar gevoelens uit met woorden, die gedeeltelijk gebruikt waren door de vrome Hanna, die ook onvruchtbaar was en aan Samuël, de van God afgebeden zoon, het levenslicht had mogen schenken (1 Sam. 2:1-10).
Zo werden ook hierdoor het Oude en het Nieuwe Verbond met elkaar in heilige verbinding gebracht.
En zo behoeft het ook ons niet te bevreemden, wanneer de profetieën in ons midden zo dikwijls aanhalingen bevatten uit het Oude en het Nieuwe Testament.
Dit alles werkt één en dezélfde Geest!
Het wonderlijke van zulke profetieën schuilt dus niet in het nieuwe, maar in de omstandigheid, dat zulke woorden gebracht worden te juister tijd, wanneer troost of vermaning nodig zijn.
“Van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten.” (Luk. 1:48). We weten hoe de Roomse kerk deze woorden misbruikt, om de gezegende Maria te verheffen tot een rang die haar niet toekomt. Maar aan den anderen kant mag gevraagd worden of de overigen christenen haar niet te veel vergeten: zelfs een woord tot gedachtenis aan haar gewijd, wordt haar niet gegund.
Wij zullen ons echter door de Heilige Schrift laten leiden en mogen God danken dat Hij in de loop der eeuwen zondige mensen wilde verhogen tot medewerkers in Zijn Koninkrijk.
Want: “wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij.” (1 Kor. 3:9).
Zelfs mensen, die een bijna afgodische verering hebben voor de kerkhervormers, die inderdaad ook Gods medearbeiders zijn geweest, ergeren zich dikwijls wanneer we God danken, dat Hij een eenvoudige dienstmaagd zulk een geloof schonk, dat zij zeggen kon: “Zie de dienstmaagd des Heeren: mij geschiede naar Uw woord.” (Luk. 1:38).
“Een gezegend bezoek”, schreven we als titel.
En hoe vele schilders hebben deze gewijde stonde niet vereeuwigd! Ze ondergingen de invloed van dit grootse. Want groots is het!
Ook al waren zij, die de hoofdpersonen waren, tot op dat tijdstip onbekende lieden, die in alle stilheid, in alle eenvoud hun dagelijks werk verrichtten!
Nu staan ze voor ons in een Goddelijk schijnsel en vormen ze een groep die in duistere tijden, ons hart zou verblijden.
Dat wij allen er naar jagen om onberispelijk te wandelen in de geboden en rechten des Heren, rechtvaardig te zijn voor God!
Dat wij de Heer der Kerk bidden: “Vermeerder ons het geloof!”
Opdát ook wij bij een moeilijke taak, die een ieder in zijn stand heeft te vervullen, kunnen spreken: “Mij geschiede naar uw woord!”
Dan worden ook wij eenmaal gereinigd van de smaad waarmede men ons wil krenken, en ook wij zullen eenmaal God verheerlijken, wanneer wij de Zoon der dienstmaagd met de Vader en de Heilige Geest lof en dank en aanbidding zullen toebrengen! Amen.