Hammaäloth

Ten tijde van het Oude Verbond verborg de dienst des Heren voor de Israëlieten een schat van zegeningen. Hij die zich daarin verlustigde, ontving die zegen voor tijd en eeuwigheid. Zijn hart en ziel verheffen bij het aanschouwen van de symbolen en de schaduwbeelden van Hem, Die het Wezen der dingen was.

De bovenstaande titel kunnen wij in vijftien Psalmen (120 t/m 134) aantreffen.

Hammaäloth betekent: ‘opgaan’ en daarom worden deze Psalmen ‘liederen der opgang’ genoemd.

Deze Psalmen verplaatsen ons bij de Israëlieten die ‘optrokken’ tot God, Die in het Heilige der Heilige van de Tempel te Jeruzalem woonde.

De scharen die optrokken om voor het aangezicht des Heren te verschijnen, ‘zongen’.

Dat wil zeggen: zij klaagden niet over de lange tocht of over de moeilijke weg, maar zij gingen op om voor Gods aangezicht te verschijnen en dat stemde hen blij en goedsmoeds.

Het zingen van liederen Hammaäloth wekte het verlangen om de Heer te ontmoeten, nóg méér op en daardoor werd de lange tocht en de moeilijke weg licht om te gaan.

Deze ‘liederen der opgangen’ werden evenwel ook bij andere gelegenheden gezongen, en de Gemeente van het Nieuwe Verbond kan ze óók zingen in haar opgaan tot God.

Psalm 120 verplaatst ons bij de Israëlieten in hun woonplaats waar zij, omringd door lasteraars en vijanden (misschien ook wel uit hun eigen kring door mensen die de Heer niet meer dienden), hun heimwee uitspraken naar de Heilige stad.

De Israëlieten moesten, wáár zij ook woonden, minstens driemaal per jaar voor het aangezicht des Heren verschijnen (Éx. 23:17; 34:23; Deut. 16:16).

Het blijde vooruitzicht om naar Jeruzalem te gaan, deed hen reeds zingen van gebedsverhoring en verlangen naar de Heer.

Psalm 121 is het ‘reislied’.

Tijdens hun reis zagen zij er naar uit of de toppen van de bergen waarop Jeruzalem was gebouwd reeds zichtbaar werden, en de Bewaarder Israëls hoedde hen des daags en des nachts op hun weg.

Psalm 122 werd gezongen wanneer zij in de poorten van Jeruzalem, waar de stammen die naar Jeruzalem waren gekomen zich verzamelden, waren aangekomen.

Dáár, in die poorten, was Israël weer één volk dat gezamenlijk opging naar de Tempel.

Psalm 123 vertolkt de stemming van de pelgrims, die aldaar de Heer aanbaden en in kinderlijk vertrouwen hun lot overgaven in de handen van de Heer Die hun Gods was.

In Psalm 124 wordt de Heer geprezen voor Zijn hulp in nood; de Heer, Die hen wel beproefd had maar hen niet had overgegeven in de handen van hun vijanden.

In Psalm 125 vinden wij uitgesproken welk een vast geloofsvertrouwen er kan zijn bij hen die op de Heer hopen.

En Psalm 126 vertolkt de dank van des Heren volk voor de verdrukking over hen. De Heer had hen meerdere malen overgegeven in de handen van hun vijanden, maar Hij keerde het kwaad ten goede en zij zagen hierin een eeuwige zegen voor alle geslachten.

In de Psalmen 127 en 128 wordt de zegen over het huisgezin bezongen.

Psalm 129 herinnert weer aan de strijd, maar die door de Heer genadig was afgewend.

In Psalm 130 vinden wij de schuldbelijdenis die werd gebeden; uit de diepten van zonde en ongerechtigheid waarin het volk des Heren was gezonken, werd gebeden, en de Heer verhoorde hen en gaf genade. Hij werd verwacht en kwam tot Zijn volk om het Zijn vrede te geven.

Psalm 131 is daarop een heerlijk toevoegsel want daarin wordt de kinderlijke blijheid van de ziel weergegeven.

In Psalm 132 vinden wij een gebed voor de dienst des Heren, voor de priesterschap en voor de Koning.

In Psalm 133 wordt geprezen hoe goed en lieflijk het is om als broeders in één huis samen te wonen en wordt daar vergeleken bij de olie waarmee Aäron was gezalfd en met de dauw die op de berg Hermon nederdaalde.

In Psalm 134 vinden wij het afscheid waarin het volk aan de priesters, de knechten des Heren, vraagt om toch dag en nacht de handen voor hen op te heffen. Wij moeten bedenken dat het volk van Israël alle zegen verwachtte door middel van de priesterschap en de dienst des Heren. Daarom waren hun ogen naar Jeruzalem gericht.

Uit het bovenstaande hebben wij wel begrepen, hóe de liederen Hammaäloth de ziel tot God opheffen, en dáárom is het zingen van deze liederen zo’n heerlijk werk.

Een lied Hammaäloth is echter nog geen overwinningslied, want bij zo’n lied moet men ópgaan, dat wil zeggen ‘opklimmen’, en opklimmen is geen gemakkelijk werk.

Wie een berg beklimt moet een gezond lichaam hebben want anders bezwijkt hij onderweg.

Tevens moet hij een goede gids hebben want anders verdwaalt hij en komt om.

En zó is het óók in het opgaan tot God; er moet geloof zijn: “Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken.” (Hebr. 11:6).

Hij kan alleen, door Woord en Geest geleid, tot God komen.

De liederen der opgang stellen, in algemene zin, voor dat de mens in de diepte en dat God in de hoogte woont.

De gehele mensheid is in Adam gevallen en neergestort in de diepten van ellende vanwaar uit de mens tot God roept (Ps. 130:1).

De Israëliet, die zich dit bewust was, ging graag óp naar de Tempel om voor God te verschijnen, want, dáár mocht hij ‘van verre’ de verlossing in Christus aanschouwen. Door de voorzegde Borg kon Israël tot God opklimmen.

Voor ons, die achter de vervulling staan, moet dit opgaan tot God gemakkelijker wezen, want wij kennen Hem, Die gezegd heeft: “Ik ben de Weg, en de Waarheid en het Leven.” (Joh. 14:6).

Uit de diepten van onze zonden en ellende moeten wij opklimmen tot God, en dat niet klagende, maar gelovende; niet zuchtende, maar zingende; niet omziende, maar ópziende, want Hij is getrouw.

De Gemeente zingt weliswaar: “Uit de diepten roep ik tot U, o Heer!… Zo gij, Heer, de ongerechtigheden gadeslaat, Heer, wie zou bestaan?”

Máár, in geloofszekerheid kan zij daarop laten volgen: “Maar bij U is vergeving!”. Voor de Gemeente breekt altijd weer de schemering door, al is het ook nóg zo donker.

Gods onbegrijpelijke liefde tot de zondaren is het licht, dat altijd en overal doordringt.

Opstijgen uit de diepte is geen gemakkelijk werk, vooral niet zingende. Mensen zijn en blijven zo oppervlakkig, tenzij Gods Geest hen verheft.

De discipelen klommen niet hoger dan hun aardse verwachtingen en bleven verstokt vast houden aan de mening dat de Heer, in hun tijd, aan Israël het Koninkrijk weer zou oprichten. Zij zochten de Opgestane Heiland in het graf, hoewel zij beter moesten weten.

Menigmaal bereiken eerstelingen in het heden geen groter hoogte dan de gewone oppervlakte van het leven; en zij komen dan niet verder dan hun berekeningen, alsof zij geen geestelijke kennis noch geloof bezaten. De ene heeft hier mee te kampen, en de ander met weer wat anders; zij twijfelen omdat dit of dat niet naar hun verwachting is. Maar hebben zij daarvoor een reden? Wij zullen zien.

Het werk van de Heilige Geest in het Apostolisch Profetisch Getuigenis, dat bijna twee eeuwen geleden is aangevangen, had arendsvleugelen. Tot op deze dag genieten nog velen, niet Apostolischen, er een zegen van, want het Licht, wat tóen weer op de kandelaar is gezet, is niet gedoofd. Denken wij hierbij alleen maar eens aan de verkondiging door de vele leraren van de Wederkomst des Heren. De Apostolische Kerk heeft deze prediking ingezet en zij is niet vruchteloos gebleven. Maar nu, nu is het Apostolische werk verscheurd en verbrokkeld.

De Heer sprak dat zelfs de wijze maagden sluimerig zouden worden en door het vertoeven van de Bruidegom in slaap zouden vallen.

De krachten en tekenen die het heerlijke bewijs moeten zijn van het werk van de Heilige Geest, zijn er nog maar zeer weinig.

De, zo zeer gewenste, noodzakelijke saamhorigheid en eenheid ontbreekt bij velen.

Inderdaad verkeert de Kerk van Christus in vele moeilijkheden, maar hóe het heden ook zij, de Kerk heeft nog nooit anders dan vele moeilijkheden ondervonden.

Zij moest steeds opklimmen uit de diepte.

Maar júist dan, dán is het de tijd om de liederen der opgangen te zingen!

In de nacht worden de grootste smarten geleden, maar, het heeft dit voordeel, dat de lijders ‘wakker’ zijn!

Wie gerust slaapt, verlangt niet naar de morgen; wie altijd op een hoogte staat, weet niet wat er in de diepte wordt geworsteld.

Wie nooit Gods gerechtigheid en de gevolgen van het kwaad heeft ondervonden, weet ook niets van schuldbewustzijn af.

De liederen Hammaäloth worden niet in voorspoed geboren.

Davids zonden werden hem vergeven, maar toch bleven de gevolgen niet uit want, toen hij voor zijn zoon moest vluchten, sprak hij in Psalm 42 vers 6 tot zijn ziel: “Wat buigt gij u neder, o, mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God!”

Wij weten allen wat de wedervaardigheden van Job zijn: God liet alles van hem afnemen, zélfs zijn gezondheid, en deze man had geen Pleiter, noch op de aarde, noch in de hemel! Maar tóch sprak deze held: “Zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen?” (Job 2:10), en, “De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd!” (Job. 1:21).

Zie, dát is een lied Hammaäloth!

Zal dan de Gemeente, evenals Jeremia, klagen: “Ik ben de man, die ellende gezien heeft” (Klaagl. 3:1).

Nee, want al zou de ongerechtigheid het schijnbaar winnen van de waarheid, er ís en blíjft hoop, want de waarheid zál zegevieren!

Wie de Heer niet kent, die verlangt niet naar Hem, en die kan ook geen liederen Hammaäloth aanheffen. Want alleen zij, die de Heer verwachten zullen de kracht vernieuwen (Jes. 40:29-31).

Het is de nacht om ons heen, maar heeft de Heer dan niet gesproken dat Hij zal komen als een dief in de nacht? (Matth. 24:43; Openb. 16:15).

Is het dan nacht, dan kunnen wij Hem ook verwachten en daarom zullen wij waken en bidden want wij weten de ure niet in welke de Bruidegom zal komen!

Maran-atha. Amen.

Schrijf u in om berichten in uw emailbox te ontvangen

Door op 'Inschrijven' te klikken gaat u akkoord met de Privacyverklaring.