De opname ten hemel van des Heren volk

Hooglied 6:12

“Eer Ik het wist, zette mij mijne ziel op de wagens van mijn vrijwillig volk”

In deze beeldspraak wordt in bovengenoemde tekst de Hemelvaart van de gemeente van Christus beschreven. De kinderen Gods van de eerste eeuw, leefden in de hoop, dat de wederkomst van Christus nog in hun tijd zou plaats hebben, wat echter niet is gebeurd. Er zouden nog eeuwen voorbijgaan voordat Christus, in Zijn heerlijkheid, zou verschijnen; er zouden nog vele gebeurtenissen aan Zijn komst voorafgaan.

Aan de Thessalonicenzen schreef apostel Paulus dat de dag van Christus nog niet aanstaande was omdat éérst de afval moest zijn gekomen; éérst moest de mens der zonde, de zoon des verderfs worden geopenbaard. Deze zou zich stellen tégen, en zich verheffen bóven ál wat God genaamd of als God wordt geëerd, zodat hij, in de Tempel Gods als een god zou zitten.

Dit was door de Heilige Geest aan apostel Paulus geopenbaard.

Er zijn vorsten geweest die, in hun ijdelheid, zich voor god verklaard hebben, en wel: de Romeinse keizers Caligula en Domitianus. Deze keizers voerden het gebruik in dat zij, in de openbare verordeningen en staatsstukken, met de woorden “onze heer en god” werden aangeduid.

Van de keizer Caligula wordt verteld, dat hij probeerde om zichzelf, met geweld tot een voorwerp van aanbidding te maken; gedreven als hij werd door een mateloze ijdelheid die aan krankzinnigheid grensde, liet hij, tot zijn eer, overal tempels bouwen en standbeelden oprichten.

In Alexandrië werden de Joden gegeseld, gemarteld en gekruisigd omdat zij weigerden om aan zijn bevel te gehoorzamen. Pretonius, de landvoogd van Syrië, werd met een leger naar Palestina gezonden om een standbeeld van de keizer in de Tempel te Jeruzalem te plaatsen.

Bij Ptolemaïs gingen duizenden Joden hem tegemoet en smeekten hem om dit plan niet ten uitvoer te brengen; terwijl meerdere Joden aan hem hun leven aanboden om te proberen om daarmede de ontheiliging van de Tempel te voorkomen. Eindelijk gaf deze landvoogd in zoverre toe, dat hij naar Rome schreef om nieuwe bevelen, maar, voordat het toornige antwoord dat aan hem werd gezonden, hem had bereikt, was keizer Caligula gestorven.

In deze beide hiervoren genoemde keizers, bereikte de goddeloosheid zijn hoogtepunt.

Ook wij leven onder de heerschappij van het Romeinse Rijk, dat éérst een heidens rijk was en daarna christelijk werd en vervolgens antichristelijk zal worden. Het antichristelijk Romeinse Rijk, zoals het zich in de toekomst zal openbaren, zal de mens der zonde zijn, de zoon des verderfs, die zich zal stellen tén, en zich zal verheffen bóven God en Zijn ordeningen.

Dit antichristelijke Romeinse Rijk zal zijn macht over geheel Europa uitbreiden en wetten in het leven roepen die strijdig zullen zijn met hetgeen de Bijbel ons leert. Men zal dan de christelijke godsdienst moeten afzweren, indien men dit niet al vrijwillig heeft gedaan. Reeds in onze dagen zien velen reikhalzend uit naar de dag dat de geestelijkheid en de kerk verdwijnen zullen.

In de Tempel Gods zal de mens der zonde, de zoon des verderfs, als een god zitten. Deze Tempel Gods wordt gevormd door de gedoopte volken; te midden van de volkeren zal zich dus dát openbaren wat hiervoor geschreven is.

De Zone Gods heeft, toen Hij op aarde was, in Lukas 18:8, de vraag gesteld: “Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook (het) geloof vinden op aarde?”

Zal men nog kunnen geloven, dat de Heer aan Zijn gemeente gegeven heeft: apostelen, profeten, evangelisten en herders en leraars? Zal men nog kunnen geloven dat dezen door de Heilige Geest geroepen moeten zijn? Zal men nog kunnen geloven dat de Heer zeven gaven van de Heilige Geest aan de gemeente heeft gegeven? Zal men nog kunnen geloven dat Christus zal wederkomen om Zijn strijdende gemeente óp te voeren in de hemel der heerlijkheid opdat zij Zijn zegevierende Kerk zal zijn?

Christus en Zijn getrouwen hebben goed zaad in de wereldakker gestrooid, maar, de vijand is gekomen en heeft midden tussen de tarwe het onkruid gezaaid. Tarwe en onkruid moeten tezamen opwassen tot de dag des oogstes.

De afval heeft onder de christenen al een grote omvang genomen, en, deze afval zal zodanig toenemen dat er slechts een kleine schare van getrouwen zal overblijven. In weerwil van het steeds groter wordende ongeloof, zullen deze getrouwen blijven hopen op de persoonlijke wederkomst van de Heer.

Hun opname ten hemel zál plaats hebben, zo waarachtig als Christus ten hemel is gevaren. Zij zúllen deelhebben aan de Bruiloft des Lams en tot koningen en priesters worden gemaakt

Het is de mens gezet, om éénmaal te sterven.

Ten aanzien van twee mensen heeft de Heer echter een uitzondering gemaakt: Henoch en Elia.

Henoch betekent: “de toegewijde”, en, die naam heeft Henoch met ere gedragen want hij heeft een, aan God toegewijd leven geleid. Henoch was een nakomeling van de godvruchtige Seth, in wiens tijd men de Naam des Heren begon aan te roepen.

Alle nakomelingen van Seth hebben echter niet in Seth’s voetstappen gewandeld, maar Henoch wél, van wie geschreven staat dat hij met God wandelde. Aan hem had de Heer geopenbaard dat Zijn toorn ontbrand was vanwege de goddeloosheid waaraan óók de nakomelingen van Seth zich hadden overgegeven. Nadat Henoch het gericht Gods had aangekondigd, nam God hem weg, in het midden van zijn levensjaren en hij was niet meer op aarde.

Henoch is een voorbeeld van de Bruidsgemeente van Christus, en, zij, die tot deze gemeente behoren, zijn niet alleen gedoopt in de Driemaal Heilige Naam van God, maar óók verzegeld.

Deze verzegeling geschied door handoplegging van een apostel des Heren, en, dáárom hebben wij, in deze onze tijd, evenzeer apostelen nodig als in de aanvang van de Kerk van Christus. Indien men gedoopt én verzegeld is, én getrouw is tot het einde, dán zal men behoren tot de 144000.

Van deze verzegelden wordt onder andere in Openbaring 7:4 gezegd: “En ik hoorde het getal dergenen die verzegeld waren: honderd vierenveertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israëls.”

Velen van deze verzegelden zijn reeds ontslapen. Alvorens de Heer komt om de verzegelden óp te nemen, zal de dag van de éérste opstanding aanbreken. Zoals de Heer, ná Zijn verrijzenis uit het graf, aan de Zijnen verschenen is, zó zullen de ontslapen en verrezen verzegelden zich in hun opstandings lichaam aan de levend overgebleven verzegelden openbaren.

De laatstgenoemden zullen, op het machtswoord van de Heer, in een punt des tijds, in een ogenblik, onsterfelijke lichamen ontvangen. Bij de wederkomst van de Heer zullen er dus twéé scharen van verzegelden zijn: één schare van opgestane heiligen, én één schare van levend veranderden.

Vandaar, dat er in Hooglied 6:13 staat geschreven: “Wat ziet gijlieden de Sulamith aan?, Zij is als een rei van twéé heiren”

“Sulamith” betekent: “de vreedzame”, In Mattheüs 5:9 staat: “Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden”. Wanneer de Sulamith als een rei van twéé heiren ten hemel zal zijn gevaren, dán zullen sommigen verlangen om haar nog eens te mogen aanschouwen; en, dit verlangen wordt uitgedrukte in de woorden die wij lezen in Hooglied 6:13: “”Keer weder, keer weder, o Sulamith, keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien”.

Meerdere keren vinden wij in de Heilige Schrift de waarschuwing vermeld dat de kinderen Gods wakende en bidden moeten zijn en blijven. Deze waarschuwing wijst er op, dat zij steeds in groot gevaar verkeren. Verkeren wij in een geestelijke toestand van geestelijke slaap, dan kan de vijand, de satan, ons zeer gemakkelijk overrompelen.

Sprekende over het, in dwaling verkerende volk van Israël, zegt Paulus in Romeinen 11:8: “God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot op de huidige dag”.

Deze woorden zijn eveneens op vele christenen van toepassing die, volgens Openbaring 3:17, menen rijk te zijn, maar, die echter in de ogen van de Heer ellendig, jammerlijk en arm en blind en naakt zijn.

Zij, die niet tot de Sulamith behoren, komen onder de heerschappij van de antichrist.

Voor hen, die dán nog Gods Woord willen naleven, zal de strijd ontzettend zwaar zijn, maar, de Heer zal hun echter kracht geven om in deze strijd te overwinnen. Zij zullen het Eliza’s getuigenis vormen, wier prediking dan zal zijn dat de Heer zal wederkomen mét de 144000 verheerlijkte verzegelden, om gericht te houden (Judas 14,15).

De meeste landen in Europa hebben nu nog een christelijke regering, maar, de tijd zal snel komen dat de overheden antichristelijk zullen worden. De gezamenlijke antichristelijke overheden, zullen het beest vormen waarvan in Openbaring 13 sprake is.

Het getal van dit beest is 666.

Te allen tijde zijn er Schriftuitleggers geweest die hebben geprobeerd om de betekenis van dit getal te verstaan.

Hierover schrijft apostel Schwartz in het Boek voor onze Tijd, vijfde druk, blz. 569, 660: “Alleen als stellig zeker beschouwen wij, dat het getal 666 zal bestaan uit het aantal leden der Rijksregering van de Verenigde Staten van Europa. In overeenkomst met Openbaring 13:3, zou dan Duitsland als de machtigste Staat in materiële en intellectuele kracht, aan het hoofd staan, zijn aanstaande Staatspresident tevens de voorzitter en hoofdleider zijn van het Algemeen Europese Statencongres, maar hij zelf dan ook, als het culminatiepunt—toppunt—der antichristelijke macht, hare verpersoonlijking, en dus de persoonlijke antichrist in het antichristelijk rijk zijn, de eindelijke mens der zonde.”

Wanneer de antichrist zijn hoogtepunt bereikt zal hebben, dán zal de Heer de ongerechtige verdoen door de Geest Zijns mond en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst, zoals er in 2 Thessalonicenzen 2:8 staat geschreven, om Zijn koninkrijk op aarde te vestigen.

(Dit artikel is geschreven in het jaar 1934)