De viervoudige ambtsbediening

Wij leren uit de Heilige Schrift, dat de Here Jezus door de Vader is gezonden tot heil van mensen, en dat Hij Zich op verschillende wijzen heeft geopenbaard:

  • Als de Verzoener van de zonden is Hij éénmaal als het Lam Gods geslacht, en heeft Hij voor ons de weg gebaand, om weer tot de Here God te komen.
  • Als onze Hogepriester leeft en bidt Hij voor ons, en offert de wierook van onze gebeden op het reukaltaar aan God de Vader (Hebr. 4: 14; Openb. 5: 8; en Openb. 8: 3-4).
  • Als de Heiland en Zaligmaker der wereld heeft Hij -om Zijn volbrachte verlossingswerk dienstbaar te maken, tot behoud van zondaren en om ze in te leiden in het Rijk van de Here God- in Zijn zending op aarde Zelf de vier ambten vervuld.

Hij is de Apostel in de apostel, de Profeet in de profeet, de Evangelist in de evangelist en de Herder in de herder.

Ook in het Oude Testament vinden wij de viervoudige ambtsbediening reeds in beelden aangetoond. In Gen. 2: 10-14 vinden wij één hoofdrivier genoemd, voortkomende uit Eden, welke zich vandaar verdeelde in vier hoofden, zoals we dat in de natuur zien bij enkele rivieren die een zogenaamde delta vormen. Elke stroom, die uit die hoofdstroom ontstaat, ontvangt dus rechtstreeks daaruit zijn water en nooit uit een van de andere uitlopers. De woorden “en werd van daar verdeeld in vier hoofden” kunnen verschillend worden verklaard, n.l. van Eden uit, voordat de hoofdstroom de hof bereikte, maar men kan het ook zo opvatten, dat de hoofdrivier zich alleen door de hof voortbewoog en daarna zich verdeelde. Maar dit laatste is niet aannemelijk.

Als de hoofdstroom zich reeds vóór het betreden van de hof verdeelde, kon de besproeiing van de hof beter tot haar recht komen. Wij nemen dus aan, dat de vier rivieren alle door de hof stroomden.

We hebben deze rivieren leren kennen als;

1. Pison, deze naam betekent: grote verspreiding van wateren of uitgietende stroom (apostelambt).

2. Gihon, deze naam betekent: met geweld voortbrekende, anders gezegd, zich baanbrekende stroom (profetenambt). 

3.Hiddekel, deze naam betekent: pijlsnelle of vrolijk huppelende stroom (evangelistenambt).

4. Frath, deze naam betekent: vruchtbaar of zoetwater, of die met zoet water drenkt (herdersambt).

Allen voortkomende uit de hoofdrivier Christus.

Van de vier stromen is de Frath of Eufraat geen snelstromende rivier, doch treedt op geregelde tijden buiten haar oevers, waardoor de omgeving plaatselijk zeer vruchtbaar wordt. Hierdoor is het herdersambt uitgebeeld als werkende in de gemeente.

De hoofdrivier beantwoordt aan de rivier uit Openb. 22: 1, klaar als kristal en voortkomende uit de troon van God en het Lam. De rivier in Eden ontsprong op de Heilige Berg des Heren. De zuivere Godskennis komt dus naar ons toe van de plaats der volkomen heiligheid.

Christus heeft ons de Vader geopenbaard in waarheid. Hij is dus de Hoofdrivier, en om Zijn onderricht en geestelijk voedsel beter tot zijn recht te laten komen, verdeelt Hij zich in vier stromen. Daar deze alle een eigen richting inslaan en verschillende landen besproeien, zien we hier, dat de vier ambtsbedieningen der Kerk elk een eigen terrein van het geestelijk leven te verzorgen hebben. Één ambt kan niet geven, wat ook de anderen mededelen.

Dat de vier stromen later de hof verlaten, geeft de roeping van de Kerk aan, dat door haar, als het ware zaad van Abraham, de zegen van de Here God aan alle geslachten der aarde zal medegedeeld worden.

In Exodus 26: 32 lezen we, dat het voorhangsel, waarachter de Ark der Getuigenis werd gebracht, moest worden bevestigd, aan vier pilaren, terwijl in het voorhangsel zelf vier kleuren zijn verwerkt.

In Exodus 27: 1 en 2 wordt het altaar omschreven als vierzijdig met op elke hoek een hoorn. Het aangrijpen van één van deze vier hoornen gaf voor bijzondere gevallen kwijtschelding van schuld.

Ezechiël 1: 10 vermeldt ons vier dieren, de gelijkenis van hun aangezichten als een mens, een leeuw, een os en een arend. In Openb. 4: 6-7 vinden wij die vier dieren terug, achtereenvolgens als een leeuw, een kalf of jonge os, een mens en een vliegende arend.

In Numeri 2 lezen wij, dat de twaalf stammen van Israël door de woestijn optrokken in vier hoofdgroepen, ieder met een eigen banier. Volgens oude Joodse geschiedschrijvers waren deze als volgt samengesteld:

Juda, met Issaschar en Zebulon, met de banier van Juda: een leeuw in een blauw veld. Ruben, met Simeon en Gad, met de banier van Ruben, een mens in een rood veld. Efraïm, met Manasse en Benjamin, met de banier van Efraïm, een kalf in een goud veld, en Dan, met Aser en Naftali, met de banier van Dan, een arend in een blauw veld.

In deze beelden vinden wij de karakters van de verschillende ambtsbedieningen uitgedrukt:

leeuw: wilskracht

arend: verbeeldingskracht

mens: verstand 

kalf of jonge os: gevoel

Voorts treffen wij in de Heilige Schrift aan de namen van Michaël (Daniël 10: 13,21 en Dan.12 :1). De naam betekent: Wie anders dan Ik, is als God? Vorst der vorsten en Aanvoerder der engelen (archangel). Wij leren deze als de Here Jezus kennen, en Gabriël (o.a. in Lukas 1:19), terwijl de Joodse theologie ons nog vermeldt, Ariël, Uriël en Raphaël, als de voornaamste engelen.

Ariël betekent,  Leeuw Gods (apostelambt) 

Uriël   Gods licht of vuur (profetenambt).

Gabriël  een mens Gods (evangelistenambt)

Raphaël  Gods arts of genezing (herdersambt).

De werkzaamheden van de vier ambten kunnen wij als volgt samenstellen:

apostelen, als de vertegenwoordigers van Christus voor de Kerk, de uitdelers van de  Heilige Geest met Zijn gaven en de handhavers der leer (Hand. 8: 14-17, Hand. 19: 2,6, Hand. 2: 42),

profeten,  als de organen, waardoor de Here God spreekt tot de gemeente en Zijn wil openbaart. Zij vormen met de apostelen de grondslag van de zichtbare  Kerk op aarde (Efeze 2: 20),

evangelisten, die als predikers van het evangelie van de boodschap van het komende  Godsrijk, van de nabij zijnde gerichten en van de ontkoming daaraan, naar  buiten moeten werken en de gewonnen zielen aan de apostelen ter  verzegeling hebben over te geven, 

herders, die de zo verzamelde gelovigen en met de Heilige Geest verzegelden, als  de kudde des Heren moeten weiden. Hun werkkring is dus naar binnen in de gemeente zelf.

En juist door een viervoudige ambtsbediening wordt de Gemeente, als het lichaam des Heren opgevoed naar de vier verschillende karakters der mensen (wil, verbeeldingskracht, verstand en gevoel).

Uit Efeze 4: 11-16 blijkt, dat alle bedieningen nodig zijn. In 1 Petrus 5: 1-3 geeft apostel Petrus zijn opvatting weer aangaande de wijze, waarop de ouderlingen (priesters) hun ambt moeten uitoefenen. Hij schrijft: “Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover, niet uit bedwang, maar gewillig, noch om vuil gewin, maar met een volwaardig gemoed; noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde.”

Het apostelambt is het ambt, aan hetwelk de algemene leiding over zijn stamgebied is toevertrouwd, alsmede de mededeling van de Heilige Geest door gebed en handoplegging. Hij dient de handhaver van de leer van de Heilige Schrift te zijn. Hij heeft verordenende bevoegdheid, met dien verstande, dat wat verordend wordt, in overeenstemming met de Heilige Schrift moet zijn. Voor het overige hebben alle dragers van het priesterambt gelijke bevoegdheden en plichten.

Zo behoort dan de viervoudige bediening als een beschermende macht om het volk Gods te staan, maar ook heeft deze viervoudige bediening tot taak, des Heren volk op te voeden, en voor en toe te bereiden voor de dag, waarop de Heer zal komen in eeuwige heerlijkheid.