Heilige Geest en Vuur

Hand. 2: 3
Pinkster(en) betekent de 50 ste dag en wel de 50 ste dag ná het Paasfeest en het feest der ongezuurde of ongehevelde broden. In Israël was Pasen het feest van het jaarlijks begin van de oogst en waarop op de dag ná de Sabbat, derhalve op een zondag, de eerste rijpe gerstegarf de Here God plechtig aangeboden werd. Vanaf deze dag, n.l. van het feest der ongezuurde broden, moesten dan zeven weken, dus 49 dagen geteld worden en de volgende dag, de 50 ste derhalve, ook weer een zondag, was het Pinksterfeest, het feest der weken, het feest van de voltooide graanoogst. Dan werden 2 verse tarwebroden, wel gezuurd en gebakken, de Here God als eerstelingen geofferd. In de latere tijd werd het Pinksterfeest door de Joden mede tot gedachtenis van de Wetgeving op de Sinaï gevierd.


Johannes de Doper sprak bij de aanvang van de rondwandeling van Jezus Christus op de aarde: “Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben, Hem na te dragen; Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen.” (Matth. 3:11). Dit werd op het Pinksterfeest ná de Hemelvaart des Heren, de heerlijke vervulling. De uitstorting van de Heilige Geest ging gepaard met “tekenen”, welke hoorbaar waren en gezien werden.


De Heilige Geest zelf is onzichtbaar en slechts door uiterlijke waarnemingen vast te stellen. In Zijn gesprek met Nicodemus volgens Joh. 3:8 wordt de werking van de Heilige Geest door de Heer vergeleken met de wind, die blaast, waarheen hij wil; het geluid ervan wordt gehoord, maar wat men niet weet, is van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzó is het gesteld met een iegelijk, die uit de Geest geboren is. De Geest des Heren werkt dus, waar Hij wil en apostel Paulus bevestigt dit in 1 Kor. 12:11 n.l. “doch al deze dingen (werkingen, gaven, krachten enz.) werkt één en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.” Alzó openbaart zich de Geest, maar de oorsprong en het uiteindelijke doel van des Geestes werking neemt de mens nu nog niet ten volle waar. Prediker zegt vergelijkenderwijze van de wind, o.a.: “gelijk gij niet weet, welke de weg van de wind is, alzó weet gij het werk Gods niet, die het alles maakt”, (Pred. 11:5). Wij kennen (weten) in deze onze nog onvolkomen staat slechts ten dele.


Op dat Pinksterfeest namen de discipelen des Heren, die bijeen en volhardende waren in het bidden en smeken, plotseling het geluid waar, als van een geweldig gedreven wind, welke het gehele huis, waar zij zich bevonden, vervulde. En door hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen, en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest. Tongen van vuur; Heilige Geest en vuur, niet van elkaar te scheiden. Wij hebben hier te maken met een ernstige zaak, d.w.z. niet met iets, dat van geringe betekenis is. Immers wij kennen reeds het gewone vuur als een gevaarlijk element; wij hebben er ontzag voor; zijn er bevreesd voor. Tegen het gewone vuur als vernietigend element verzekert de mens zich vaak, en wij waarschuwen onze kinderen ervoor. Merkwaardig is, dat wanneer God Zich openbaart, er veelal vuur bij te pas komt.


Aan Mozes verschijnt de Engel des Heren in een vlam des vuurs uit het midden van een braambos. Mozes aanschouwde tot zijn grote verbazing, dat het braambos brandde in het vuur, maar dat het niet door het vuur verteerd werd. Toen de Heer later weer aan Mozes verscheen op de berg Sinaï, zagen Mozes en het volk, dat de gehele berg rookte, omdat de Heer daarop nederkwam in het vuur. In het N.T. vermeldt de brief aan de Hebreeërs (12:28) de volgende vermaning: “Daarom alzo wij een onbeweeglijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door welke wij welbehaaglijk God mogen dienen met eerbied en godvruchtigheid”, welke vermaning gevolgd wordt door de aanzegging: “Want onze God is een verterend vuur.”

Apostel Johannes ziet op Patmos, tijdens zijn verbanning, de gestalte van ENE, de Zoon des mensen gelijk zijnde, van Wie Johannes onder meer zegt: “Zijn ogen waren gelijk een vuurvlam”. De Here Jezus, nog op aarde zijnde, zegt volgens Lukas 12:49: “Ik ben gekomen, om vuur op de aarde te werpen.”
Dit wil hier zeggen, na des Heren lijdensdoop, zal Hij het hemels vuur, het vuur des Heilige Geestes op aarde zenden. Dan zal, mede door dat vuur des Geestes, de scheiding veroorzakende en de louterende strijd met de boze uitgevochten worden. Een scheiding der geesten is het noodzakelijke gevolg, en het resultaat van de komst en van het offer des Heren, Jezus Christus. Het vuur, figuurlijk gesproken, wordt ons en hun, die het Evangelie horen en willen gehoorzamen, na aan de schenen gelegd. Een duidelijk voorbeeld vinden wij in de Pinkstertoespraak van apostel Petrus in Handelingen 2:22 en verder. En toen zijn hoorders deze rede vernamen, werden zij verslagen in het hart, en spraken: “Wat zullen (moeten) wij doen”? Het apostelantwoord luidde: “Bekeert u, laat u dopen en gij zult de gave (gift) des Heilige Geestes ontvangen.”


De Heilige Geest ontmaskert de mens en onthult, wanneer en waar nodig, de roerselen en overwegingen van ons hart, alsmede van ons denken, zowel in het goede, als in het kwade. In Jeruzalem dacht men een goed werk te hebben gedaan, door Jezus van Nazareth te doden, en de leugen te verbreiden van het stelen van Zijn lichaam. Maar op Pinksteren komt dan het vuur Gods, en doet door alles wat daar geschiedt en gesproken wordt de harten en de gedachten van velen tot verslagenheid en bekering komen.

Op gelijke wijze zal ook in ons als verzegelde kinderen Gods, dat vuur des Heilige Geestes als een louterende kracht dienen te gloeien, en moeten wegbranden alles, wat niet strekt tot de Eer van de Naam des Heren. Wanneer wij soms mochten denken van ons zelf, dat wij het steeds alles zo goed doen, ofwel, het bij het goede einde hebben met onze eigen mening, laten wij dan, zo nodig, de reinigende kracht van de Heilige Geest op ons laten inwerken.


De Here Jezus is voor ons allen door het vuur van Gods toorn gegaan, om ons te redden, te bevrijden van de macht des eeuwige doods. Het komt soms voor, dat een mens als een brandhout uit het vuur des verderfs wordt gerukt (Zach. 3: 2). De ene moordenaar aan het kruis bekeerde zich als het ware op het nippertje, terwijl de andere boosdoener rakelings aan het heil voorbijging, want deze bekeerde zich niet, doch bleef volharden in zijn houding van spot.

In de gloed van Gods heiligheid worden onze zonden verteerd en ze worden ons niet meer aangerekend, omdat de Heer op onze plaats is gaan staan. Het werk van de Heilige Geest is, dat Hij loutert en reinigt; dat kan soms pijn doen en lijden veroorzaken, maar het is de liefde Gods, die met ons bezig is, ook in het vuur van loutering en beproeving. De dichter van Psalm 66: 10 heft zijn ogen op tot God en zegt: “Want Gij hebt ons op de proef gesteld, o God! Gij hebt ons gelouterd gelijk men het zilver loutert!”


Op het eerste Pinksterfeest greep het vuur van Gods Geest snel om zich heen, want ook dit is onder bepaalde omstandigheden een eigenschap van het vuur, en 3000 mensen bekeerden zich en lieten zich dopen; hun harten werden beroerd en gingen open en … hun beurzen. Wij lezen, dat zij in die dagen alles gemeenschappelijk hadden, en niemand onder hen had gebrek, natuurlijk, noch geestelijk. Met dit Pinkstergebeuren begon zich een ingrijpende verandering in de wereld te voltrekken. Voor een zeer belangrijk deel der wereld gold de geboorte van de Here Jezus Christus tevens als het begin der nieuwe jaartelling, en de jaren onzes Heren zijn heden 2022.

Wat de Kerk, het Lichaam des Heren op aarde betreft, waarvan Hij het hoofd is, had Hij gesproken, dat de poorten der hel haar niet zouden overweldigen. Wel leert ons de Heilige Schrift (Openb.2: 4) van de Kerk, dat zij haar eerste liefde verlaten heeft. Mede als gevolg daarvan verloor zij de zegenvolle rijkdom van de volheid der openbaringen en ordeningen Gods, en de Kerk verloor tengevolge van het spoedig na het Apostolische tijdvak optredend gemis van het apostelambt eveneens de vertroosting en de zegen van de inwonende Heilige Geest met de rijke schakering van ambten en Geestesgaven. In de Kerk zou immers de Heilige Geest wonen, welke door het Apostelambt uitgereikt, in alle verzegelde leden tot openbaring moest komen. De Heilige Geest is er om Christus in de Kerk te verheerlijken; de wereld ziet en kent immers de Heilige Geest niet, maar de wereld ziet de Kerk, en door de Kerk wil Hij de wereld overtuigen, dat, Christus van God uitgegaan, en weer tot de Vader gegaan is (Joh.14:7 en 15:26;16:8-11).


Maar de Heilige Geest als de sprekende, troostende en vermanende tegenwoordigheid Gods, heeft men verworpen en door menselijke ordeningen vervangen. Men is de voorkeur gaan geven aan een “stille” werking van de Heilige Geest, dus vooral geen bijkomende verschijnselen als van een bewogen en geleid worden door de wind des Geestes. Een Heilige Geest, Die men wel aanroept, maar Die zich ervan heeft te onthouden, zichzelf te uiten, te spreken en de gedachten en de wil des Hemelse Vaders en van de Koning der Kerk te openbaren. Volgens de Openbaring van Johannes wordt aan de Gemeente te Éfeze nog vele deugden toegekend, maar de Heer zegt, Die in het midden van de zeven gouden kandelaren wandelt: “Maar Ik heb tegen u dat gij uw eerste liefde verlaten heb.”


En al is de Gemeente te Laodicea koud noch heet, maar lauw en bij haar ingebeelde rijkdom “ellendig, jammerlijk en arm en blind en naakt”, nochtans rekent de Heer de zeven Gemeenten nog tot Zijn Kerk, de zeven kandelaren waartussen Hij wandelt en waarin Hij de zeven sterren (opzieners) in Zijn rechterhand houdt. Ondanks bederf en afval, of beter juist daarom, gaf de Heer omstreeks 1830 terug wat verloren ging.
De Heer heeft aanschouwd en gehoord de Sulammithsharten (Hooglied 1:7), die in alle tijdvakken van de Kerk aanwezig waren, en die zich verzet hebben tegen menselijke dwalingen, welke de Kerk van haar oorspronkelijke luister beroofden.
De levende Heer, de Koning der Kerk heeft op Zijn tijd, naar Openbaringen 8:1-5, de rook van het reukwerk met de gebeden der heiligen aanvaard, en de Engel nam het wierookvat, en vulde dat met het “vuur” van het altaar, en wierp het (vuur) op de aarde, en er geschiedden stemmen en donderslagen en bliksemen en aardbevingen. De beloofde late of spade regen werd uitgegoten, en wij mogen zeggen met de woorden van de Psalmist: “Dit is van de Heren geschied, en het is wonderlijk in onze ogen” (Palm 118:23).


Een getuigenis als dat van Johannes de Doper en als van Elia openbaarde zich, met zich brengende het herstel van ambten en gaven des Heilige Geestes. Opgeroepen werd tot boete en bekering en verootmoediging en tot bezinning op de gemeenschappelijke schuld jegens God. Maar ook wij, die de eerstelingen des Geestes uit genade mochten verwerven en aanvaard hebben, hetgeen verloren ging, en die de doop met de Heilige Geest en met vuur ontvangen mochten, ook wij hebben ons ernstig op onze tekortkomingen en schuld jegens de Heer te bezinnen. Deemoed past ons en wij doen wel, als Daniël eens deed, die voor het gehele volk van Israël en voor zichzelf bad, diens voorbeeld na te volgen en dus voor ons zelf, en voor de nood van het gehele Nieuwe Verbondsvolk te bidden om de barmhartigheid Gods, en uitredding uit de ure der verzoeking, d.w.z uit de grote verzoeking, welke te komen staat.


Laten wij ons derhalve steeds laten reinigen en louteren door het vuur des Heilige Geestes, en laten wij dat vuur niet uitblussen, overeenkomstig de vermaning van apostel Paulus: “Blust de Geest niet uit”, hetgeen wil zeggen: ziet toe, dat er geen verachtering ontstaat in het geloof en van de genade Gods, maar dat wij, vurig van Geest blijvende, ons zullen beijveren voor de eer van Zijn Naam en voor Zijn dienst.


Halleluja, o welk een heil
wilt Gij ons, zondaars, schenken.
Geef dat uw heilige Geest ons leidt
in werken, bidden, denken.
Hij maak ons hart steeds meer bereid
voor Jezus’ komst in heerlijkheid.
O God, hoor onze zangen.