De gemeenschap der heiligen

Hebreeën 11:40: “…opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden”.

Op de laatste zondag in September gedenken wij, evenals op de feestdagen, in het bijzonder aan de ontslapenen want dan mogen zij met ons het Heilig Avondmaal ontvangen.

Wij geloven, zoals in de artikelen van ons algemeen Christelijk geloof beleden wordt, in de gemeenschap der heiligen (zie Catechismus, Zondag 7, vraag 22,23). Wij geloven dit echter niet, zoals vele christenen die de gemeenschap der heiligen alleen slechts zoeken onder de levenden; wij geloven, dat die gemeenschap bestaat tussen de levenden en ontslapenen.

Apostel Paulus leert ons in 1 Korinthe 12, dat de Kerk van Christus één lichaam is, want de Kerk bestaat niet alleen uit de levende leden van dat lichaam, maar zij omvat alle gelovigen van alle tijden; levenden en ontslapenen.

Er is, in het rijk der doden, een rustend deel van de kerk, en er is hier op de aarde een strijdend deel van de kerk. Beide delen vormen nu het mystieke (verborgen) lichaam van Christus. Gelijk het oog niet tot de hand kan zeggen: “Ik heb u niet van node”, evenmin kan zo het rustende deel van de kerk het strijdende deel op aarde, missen, en, omgekeerd kan het strijdende deel op aarde zich onafhankelijk achten van het rustende deel.

Er is één lichaam, vervuld met één Geest en met één hoop der roeping.

In die eenheid van de twee delen is zeer zeker ook een wisselwerking: de zegeningen die het strijdende deel ontvangt, moeten krachtens die eenheid óók het rustende deel ten goede komen, en zo ook omgekeerd. Wij lezen in de Heilige Schrift dat de lichamelijke dood ook wel voorgesteld wordt als een slaap. Wij mogen dit nooit vergelijken met een natuurlijke slaap want dan verkeert het lichaam in een bewusteloze toestand.

Apostel Paulus heeft geen bewusteloze, dat wil zeggen een werkeloze toestand begeert, toen hij zei: “Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin” (Fil.1:21).

In Openbaring 6:9-11 lezen wij van een bewust bidden van de ontslapenen.

Oók de Heer Zélf heeft, ná Zijn dood, de geesten in de gevangenis gepredikt, dat wil zeggen, de geesten in het dodenrijk (1 Petr. 3:18-20). Die geesten konden dus horen, én aannemen. Wat Petrus zegt, neemt elke gedachte aan een bewusteloze toestand van de ontslapenen geheel weg. De Heer sprak tegen de moordenaar: “Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn” (Luk. 23:43). Deze uitspraak van de Heer doet ons denken aan de heerlijke toestand en het verkeren in de nabijheid van de Heer en van de éérste mensen vóór de zondeval.

Oók sprak de Heer tegen de Sadduceeërs, die niet geloofden in de opstanding der doden, dat God niet alleen een God der levenden is, maar óók der doden want die doden leven Hem allen, waarom de Heer altijd deed spreken door de profeten als te zijn: de God Abrahams, Izaks en Jakobs (Luk. 20:37,38). Wij geloven, dat de gemeenschap der heiligen niet alleen maar een verheven theorie is, maar een werkelijkheid die kracht uitoefent, al gaat er veel buiten ons bewustzijn om. De tekst uit Hebreeën 11:40 zegt ons, dat allen, die hun leven hebben overgeven om wille van het geloof, wel de zekerheid hebben verkregen dat zij Gode aangenaam waren, maar, dat zij zónder ons niet volmaakt zouden kunnen worden.

Wij verstaan en begrijpen hieruit niets anders dan dat de ontslapen heiligen niet los zijn van de levende heiligen, maar dat zij, één lichaam zijnde, voor elkander leven.

Dit wordt ook duidelijk in dat, wat apostel Paulus leerde in 1 Korinthe 15:29 over het dopen van de ontslapenen door middel van de levenden. Dat zelfs de Paradijstoestand in het dodenrijk nog onvolmaakt is, dat kunnen wij begrijpen wanneer wij bedenken dat God de mens niet heeft geschapen om te sterven, maar om te leven. God schiep lichaam en ziel, en, deze horen bij elkaar. Door te sterven komt er een scheiding en is er een onvolkomenheid ontstaan. Zó ontstaat er een verlangen bij de zielen om weer een lichaam te mogen ontvangen. En, waar de Heer beloofd heeft, om onverderfelijke lichamen te geven aan hen, die Hem in heerlijkheid verwachten, dan moet het verlangen daar naar bij de heilige ontslapenen wel groot zijn. Dit verlangen vinden zo mooi weergegeven in het lied uit de Liederenbundel 11 vers 4: ”Zie ons hijgend zielsverlangen, enz.”

Oók onder de levenden is er een verlangen want zij weten dat hun bede om de komst van hun Bruidegom verhoort zal worden en in vervulling zal gaan wanneer de ontslapenen, in dat, zozeer begeerde onverderfelijke lichaam, zullen opstaan.

De grote vertroosting met betrekking tot onze dierbare ontslapenen is, dat de Heilige Schrift ons verzekert, dat zij het goed hebben, want, als wij lezen in 1 Thessalonicenzen 4:14, waar over de opstanding geschreven wordt dat God de heilige ontslapenen in Christus zal wederbrengen met Hem, en Paulus zo graag wenste ontbonden te worden om met Christus te zijn (Fil.1:23), dán kunnen wij gerust zijn.

Zij zijn in Christus bewaard tot aan de dag van de opstanding.

Zij zullen, mét Hem, aan de levenden verschijnen en deze zullen dan veranderd worden, in een punt des tijds (1 Kor. 15:51,52). Dán zal de hereniging plaats hebben.

Het is goed te begrijpen dat, waar de hoop op de spoedige wederkomst van de Heer, onder de christenen verloren ging, deze vertroosting haar kracht verloor en men er toe gekomen is om de dood te gaan beschouwen als de ingang tot de volmaakte heerlijkheid, waardoor de opstanding der heiligen ten laatsten dage overbodig wordt.

Daarom beperken deze gelovigen de gemeenschap der heiligen alleen tot de levenden.

Omdat de Heer gesproken heeft: “Wie Mijn vlees niet eet en Mijn bloed niet drinkt, heeft geen leven in zich blijvende” (Joh. 6:53-75), is het nodig, dat om te leven, er gegeten en gedronken (Heilig Avondmaal) moet worden, en, omdat dit het leven van de onsterfelijke ziel betreft, moeten de zielen van de ontslapenen eten en drinken om te leven. Het behaagde de Heer om de sacramenten aan Zijn Kerk te geven. Door deze middellijke weg, behaagde het de Heer om aan de ziel het eeuwige leven te geven en te onderhouden, waarvoor hij gestorven is. Wij geloven dat, wanneer de Heer door profetie spreekt dat de ontslapenen in ons midden zijn, dat dan zo is. Wij geloven niet, dat zij moeiten en strijd met ons delen want dán zou de rust geen rust zijn, maar, wél geloven wij dat zij met ons kunnen danken en zingen van de lof des Heren. Spoedig zal de Heer onze en hun bede verhoren en wederkomen.

Maran-atha, de Heer komt!